Held, Verrader, Dochter

Text
Aus der Reihe: Over Kronen en Glorie #6
0
Kritiken
Leseprobe
Als gelesen kennzeichnen
Wie Sie das Buch nach dem Kauf lesen
Schriftart:Kleiner AaGrößer Aa

HOOFDSTUK VIJF

Ceres zweefde boven eilanden van glad gesteente. Het was zo mooi dat ze er bijna van moest huilen. Ze herkende het werk van de Ouden, en moest meteen aan haar moeder denken.

Toen zag ze haar, ergens voor zich, nog steeds omgeven door de mist. Ceres rende achter haar aan, en ze zag dat haar moeder zich omdraaide. Toch leek ze haar niet te kunnen inhalen.

Er was een gat tussen hen, en Ceres sprong, haar hand uitgestrekt. Ze zag haar moeder haar armen naar haar uitstrekken, en even dacht Ceres dat Lycine haar zou opvangen. Hun vingers raakten elkaar, en toen viel Ceres.

Ze wil midden in een gevecht, in een wirwar van lichamen. Er waren doden, maar het feit dat ze dood waren leek hen er niet te van weerhouden om te vechten. Heer West vocht zij aan zij met Anka, en Rexus leidde honderd mannen die Ceres had gedood. Ze waren overal om haar heen, vechtend tegen elkaar, tegen de wereld…

De Laatste Adem stond voor haar. De voormalige krijgsheer zag er akeliger en angstaanjagender uit als ooit tevoren. Ceres sprong over zijn staf heen en raakte hem aan om hem in steen te veranderen, zoals ze eerder had gedaan.

Deze keer gebeurde er niets. De Laatste Adem sloeg haar bijna bewusteloos, en boog zich triomfantelijk over haar heen. En ineens was hij Stephania, die een flesje vasthad in plaats van een staf, de dampen nog steeds bijtend in Ceres’ neusgaten.

Toen ze wakker werd bleek de realiteit niet veel beter dan haar dromen.

Ze ontwaakte op een ruw gesteente. Even dacht ze dat Stephania haar misschien op de vloer van haar kamer had achtergelaten, of erger, dat ze misschien nog steeds over haar heen gebogen stond. Ceres draaide zich met een ruk om en probeerde overeind te krabbelen, om vervolgens te beseffen dat ze daar geen ruimte voor had.

Ceres moest zichzelf dwingen om langzaam te ademen. Ze zag stenen muren aan elke kant en vocht tegen de paniek die haar dreigde te overspoelen. Pas toen ze omhoogkeek en een metalen rooster boven zich zag, drong het tot haar door dat ze in een put zat. Ze was niet levend begraven.

De put was nauwelijks breed genoeg om in te zitten. Ze kon er al helemaal niet in liggen. Ceres reikte omhoog en testte het rooster in een poging het metalen traliewerk te buigen of te breken.

Er gebeurde niets.

Ceres voelde weer paniek opkomen. Ze probeerde weer naar haar kracht te zoeken, voorzichtig. Ze herinnerde zich hoe haar moeder haar had gecorrigeerd nadat Ceres haar krachten was verloren toen ze de stad wilde bezetten.

Dit voelde hetzelfde, en toch niet helemaal. Voorheen had het gevoeld alsof de kanalen waardoor haar kracht stroomde waren doorgebrand tot ze te veel pijn deden om te gebruiken. Ceres had zich leeg gevoeld.

Nu voelde het alsof ze normaal was, hoewel dat voelde als minder dan niets vergeleken met wat ze even geleden was geweest. Er was ook geen twijfel over wat hier de oorzaak van was: Stephania en haar vergif. Op de één of andere manier had ze iets gevonden om Ceres te ontdoen van de krachten die het bloed van de Oude haar had gegeven.

Ceres voelde het verschil tussen dit en wat er de vorige keer was gebeurd. Dat was als een kortstondige blindheid geweest: te veel in één keer, iets dat met de juiste zorg weer verholpen kon worden. Dit voelde echter alsof haar ogen door kraaien waren uitgepikt.

Ze reikte toch weer naar het rooster, in de hoop dat ze het bij het verkeerde eind had. Ze spande haar spieren en gebruikte al haar kracht om te proberen het rooster in beweging te krijgen. Het bewoog geen millimeter, zelfs niet toen Ceres zo hard trok dat haar handpalmen begonnen te bloeden.

Ze schreeuwde het uit van de schrik toen iemand water de put in gooide, en ze drukte zich drijfnat tegen de stenen muur aan. Toen Stephania in het zicht kwam, probeerde Ceres haar uitdagend aan te kijken. Maar op dat moment was ze te koud en te nat en te zwak om ook maar iets te doen.

“Dus het vergif heeft gewerkt,” zei Stephania zonder voorwoord. “Nou, dat mag ook wel. Ik heb er goed voor betaald.”

Ceres zag dat ze haar buik aanraakte, maar Stephania ging al verder voor Ceres kon vragen wat ze bedoelde.

“Hoe voelt het nu om het enige dat je speciaal maakte niet meer te hebben?” vroeg Stephania.

Alsof ik in staat was om te vliegen, en nu nauwelijks nog kan kruipen. Maar Ceres gunde haar die bevrediging niet.

“Hebben we dit spelletje al niet eerder gespeeld, Stephania?” wilde ze weten. “Je weet hoe het afloopt. Ik ontsnap en ik geef je wat je verdiend.”

Stephania gooide weer een emmer water over haar heen, en Ceres sloeg tegen de tralies aan. Ze hoorde Stephania lachen, en dat maakte Ceres alleen maar kwader. Het kon haar niet schelen dat ze nu geen krachten had. Ze was nog altijd getraind als een krijgsdame, en ze had nog steeds alles dat ze van de Bosmensen had geleerd. Ze zou Stephania met haar blote handen wurgen als het niet anders kon.

“Kijk nou eens. Als het beest dat je bent,” zei Stephania.

Dat was voldoende om Ceres een beetje te kalmeren, al was het maar omdat ze niet wilde zijn wat Stephania wilde dat ze was.

“Je had me moeten doden toen je de kans had,” zei Ceres.

“Dat wilde ik ook,” antwoordde Stephania, “maar het leven geeft ons niet altijd wat we willen. Kijk maar eens naar hoe het met jou en Thanos is afgelopen. Of met mij en Thanos. Ik ben tenslotte degene die uiteindelijk met hem is getrouwd, nietwaar?”

Ceres moest haar handen tegen de stenen muren drukken om zichzelf ervan te weerhouden om weer naar Stephania uit te halen.

“Ik zou je keel hebben doorgesneden als ik de oorlogshoorns niet had gehoord,” zei Stephania. “En toen bedacht ik me dat het makkelijk zat zou zijn om het kasteel te heroveren. Dus dat heb ik gedaan.”

Ceres schudde haar hoofd. Ze kon het niet geloven.

“Ik heb het kasteel bevrijd.”

Ze had meer gedaan dan dat. Ze had het kasteel gevuld met rebellen. Ze had de mensen die trouw waren aan het Rijk gevangen genomen. De anderen had ze kansen gegeven, ze had…

“Ah, je begint het in te zien, nietwaar?” zei Stephania. “Al die mensen die je zogenaamd zo dankbaar waren voor hun vrijheid hebben je net zo snel weer de rug toegekeerd. Ik zal ze maar in de gaten houden.”

“Je zal wel meer in de gaten moeten houden,” beet Ceres terug. “Denk je dat de verzetsstrijders je koninginnetje zullen laten spelen? Denk je dat de krijgsheren dat zullen toelaten?”

“Ah,” zei Stephania met een overdreven vertoon van schaamte dat Ceres bang maakte voor wat er komen ging. “Ik vrees dat ik slecht nieuws heb over je krijgsheren. Het blijkt dat zelfs de beste vechter nog sterft wanneer je een pijl door zijn hart schiet.”

Ze zei het zo nonchalant, zo honend. Maar zelfs als het maar de halve waarheid was, het was genoeg om Ceres’ hart te breken. Ze had samen met de krijgsheren gevochten. Ze had samen met hen getraind. Ze waren haar vrienden en haar bondgenoten geweest.

“Je geniet er gewoon van om wreed te zijn,” zei Ceres.

Tot haar verrassing zag ze Stephania haar hoofd schudden.

“Laat me raden. Je denkt dat ik geen haar beter ben dan die idioot, Lucious? Een man die absoluut niet in staat was zichzelf te vermaken tenzij er iemand om zijn leven schreeuwde? Denk je dat ik zo ben?”

Het leek een vrij goede omschrijving vanuit Ceres’ oogpunt. Zeker gezien de gebeurtenissen die op het punt stonden plaats te vinden.

“Niet dan?” wilde Ceres weten. “Oh, het spijt me, ik dacht dat je me in een stenen put had gegooid om te laten sterven, maar dan had ik het zeker mis.”

“Om te martelen, eerlijk gezegd,” zei Stephania. “Maar dat ben jij. Jij verdient alles dat je krijgt, na alles dat je me hebt proberen af te nemen. Thanos was van mij.”

Misschien geloofde ze dat echt. Misschien dacht ze oprecht dat het normaal was om je rivalen in de liefde en het leven gewoon te vermoorden.

“En de rest?” zei Ceres. “Wil je me er nu van overtuigen dat je eigenlijk een aardig persoon bent, Stephania? Want ik weet behoorlijk zeker dat dat schip vertrokken is op het moment dat je me naar het Eiland der Gevangenen stuurde.”

Dat was misschien niet de beste manier om het te brengen, want Stephania tilde een derde emmer van de grond. Ze leek even te twijfelen, maar haalde toen haar schouders op en dumpte het ijskoude water over Ceres heen.

“Ik zeg dat aardig geen rol speelt, domme boerin,” snauwde ze naar de huiverende Ceres. “We leven in een wereld waarin men probeert om je alles af te nemen. Zeker als je een vrouw bent. Tuig zoals Lucious zal er altijd zijn. Er zijn altijd mensen die alleen maar willen nemen en nemen.”

“Dan vechten we daartegen,” zei Ceres. “We bevrijden mensen! We beschermen ze.”

Ze hoorde Stephania lachen.

“Je gelooft echt dat die dwaasheid werkt, nietwaar?” zei Stephania. “Je denkt dat mensen van nature goed zijn, en dat alles wel goed komt als je ze gewoon een kans geeft.”

Ze zei het alsof het iets bespottelijks was, in plaats van een goede filosofie voor een leven.

“Zo werkt het leven niet,” vervolgde Stephania. “Het leven is een oorlog die wordt uitgevochten op welke manier je dan ook wil vechten. Je moet zorgen dat niemand macht over je krijgt, en je moet proberen alle macht te krijgen die je kunt, want dan heb je de kracht om ze te breken wanneer ze proberen om je te verraden.”

“Ik voel me niet bepaald gebroken,” repliceerde Ceres. Ze zou Stephania niet laten zien hoe zwak ze zich op dat moment voelde, of hoe leeg. Ze zou de schijn van kracht ophouden, in de hoop dat ze een manier kon vinden om de realiteit te laten volgen.

 

Ze zag Stephania haar schouders ophalen.

“Dat komt nog wel. Je rebellen vechten op dit moment tegen het leger van Felldust. Als zij winnen, dan ruil ik jou voor mijn vrijheid, met alle rijkdom die ik mee kan nemen. Ik denk echter dat Felldust als een vloedgolf over de stad zal vallen. En ik zal de vloedgolf tegen de muren van dit kasteel laten breken, tot ze klaar zijn om te praten.”

“Denk je dat zulke mannen gewoon het gesprek met je aangaan?” wilde Ceres weten. “Ze zullen je vermoorden.”

Ceres wist niet waarom ze Stephania waarschuwde. De wereld zou een betere plek zijn als iemand haar doodde, zelfs als het het leger van Felldust was.

“Denk je dat ik het niet allemaal heb uitgedacht?” repliceerde Stephania. “Felldust is structuurloos. Ze kunnen het zich niet veroorloven om hun soldaten een kasteel te laten bezetten dat ze niet kunnen behouden. Ze zouden binnen enkele weken, zo niet eerder, met elkaar in de knoop raken. Ze zullen moeten praten.”

“En jij denkt dat ze een eerlijk spelletje met je zullen spelen?” vroeg Ceres.

Soms kon ze nauwelijks geloven hoe arrogant Stephania was.

“Ik ben geen dwaas,” zei Stephania. “Momenteel is één van mijn dienstmeisjes zich aan het voorbereiden om mij te spelen tijdens de eerste ontmoeting. Op die manier heb ik tijd om de stad te ontvluchten als ze proberen ons te verraden. Daarna zal ik jou, knielend en vastgeketend, aan de Eerste Steen Irrien presenteren. Een mooi aanbod om de vredesonderhandelingen mee te beginnen. En wie weet? Misschien zal Eerste Steen Irrien wel… ontvankelijk zijn voor het idee om onze twee landen samen te voegen. Ik denk dat ik tot veel in staat zou zijn met zo iemand naast me.”

Ceres schudde haar hoofd bij die gedachte. Ze zou niet voor Stephania knielen, net zomin als ze dat voor een andere aristocraat zou doen. “Dacht je echt dat ik je de bevrediging zou geven—”

“Ik hoef helemaal niet te wachten tot je iets geeft,” snauwde Stephania terug. “Ik kan je alles afnemen wat ik wil, inclusief je leven. Vergeet niet dat als deze oorlog er niet was geweest, ik je genade had getoond en je gewoon had vermoord.”

Het klonk alsof Stephania een heel apart idee had van wat genade betekende.

“Wat is er met je gebeurd?” vroeg Ceres haar. “Hoe ben je zo geworden?”

Stephania glimlachte. “Ik zag de wereld zoals ze was. En nu zal de wereld jou zien zoals je bent. Ik kan je niet doden, dus ik zal het symbool dat je van jezelf hebt gemaakt vernietigen. Je gaat voor me vechten, Ceres. Keer op keer, zonder de kracht die je zogenaamd zo speciaal maakte. En daartussenin zullen we manieren vinden om het erger te maken.”

Dat klonk niet zo anders van wat Lucious of de andere aristocraten hadden getracht te doen.

“Je zult me niet breken,” beloofde Ceres haar. “Ik zal niet instorten en smeken voor je vermaak, of je zielige poging tot wraak, of hoe je het ook wil noemen.”

“Dat zal je wel,” beloofde Stephania haar. “Je zult knielen voor de Eerste Steen van Felldust en hem smeken om zijn slaaf te zijn. Daar zal ik voor zorgen.”

HOOFDSTUK ZES

Felene had heel wat boten gestolen in haar tijd, en ze was blij dat dit één van de betere was. Het was niet veel meer dan een skiff, maar ze voer prachtig. Ze leek bijna op haar gedachten te reageren, alsof ze een verlenging van Felene was.

“Al zou ze eigenlijk meer gaten moeten hebben,” zei Felene, die begon met het hozen van wat water dat over de rand was heen gespoeld. Zelfs dat deed pijn, en wat betreft de keren dat ze had moeten roeien omdat er geen wind stond…

Alleen al de gedachte deed Felene huiveren.

Voorzichtig testte ze haar wond. Ze bewoog haar arm in elke richting om haar rugspieren te strekken. Bij een paar bewegingen leek het bijna alsof ze de wond kon negeren, maar bij andere…

“Godvergeten bliksem!” vloekte Felene toen de pijn door haar heen schoot.

Het ergste was dat de pijn vervelende herinneringen met zich meebracht. Herinneringen aan hoe ze in Elethe’s ogen had gekeken terwijl Stephania haar in haar rug had gestoken. De fysieke pijn bracht ook de pijn van het verraad met zich mee. Ze had durven denken…

“Wat,” zei Felene tegen zichzelf. “Dat je eindelijk gelukkig zou worden? Dat je weg zou varen met een prinses en een prachtig meisje, en dat het leven je gewoon met rust zou laten?”

Het was dwaas geweest om dat te denken. Wat er ook gebeurde, er zou altijd wel iets te stelen zijn, of het nu een sieraad was, of een stuk van de kaart, of het hart van een meisje dat uiteindelijk bleek…

“Ophouden,” zei Felene tegen zichzelf, maar dat was lastiger dan het leek. Sommige wonden genazen niet uit zichzelf.

Haar fysieke wond was ook nog niet genezen. Ze had hem op het strand zo goed mogelijk gehecht, maar Felene begon zich nu wel zorgen te maken over de steekwond die Stephania’s mes in haar rug had achtergelaten. Ze tilde haar shirt op om de wond met zeewater te spoelen, en tandenknarste van de pijn.

Het was niet de eerste keer dat Felene gewond was geraakt, maar dit voelde niet goed. Ze had soortgelijke verwondingen bij anderen gezien, en voor hen was het meestal niet best afgelopen. Er was die gids geweest die door de klauwen van een sneeuwluipaard verminkt was toen Felene had geprobeerd om er één uit de dode tempels te stelen. Er was het slavenmeisje geweest dat Felene had gered nadat haar meester haar tot bloedens toe had geslagen, om haar vervolgens te zien wegkwijnen en sterven. Er was die gokverslaafde geweest die erop had gestaan om aan de tafel te blijven zitten, zelfs nadat hij zijn hand aan een gebroken stuk glas had opengehaald.

Het meest verstandige om nu te doen, wist Felene, was teruggaan naar waar ze vandaan kwam, een genezer opzoeken, en rusten voor zolang als het duurde om weer de oude te worden. Tegen die tijd zou de invasie natuurlijk al voorbij zijn, en iedereen die er bij betrokken was weg. Maar Felene zou weer in orde zijn, vrij om te gaan waar ze wilde.

Het zou voor haar geen verschil moeten maken hoe de invasie afliep. Ze was een dievegge. Er zouden altijd dingen zijn om te stelen, en er zouden altijd mensen zijn die haar opjoegen. In de nasleep van een oorlog, wanneer de maatschappij wat minder gecontroleerd was en er meer gaten waren voor sluwe mensen om tussendoor te glippen, zouden dat er waarschijnlijk nog meer zijn.

Ze kon teruggaan naar Felldust, rusten, en dan op zoek gaan naar een nieuw avontuur. Ze kon naar de verloren eilanden op zoek gaan, of op reis naar de landen waar alles bedekt was met ijs. Er zouden schatten en geweld zijn, vrouwen en drank. Alle dingen die haar leven tot op dat punt hadden geleid.

De reden dat ze haar kleine boot nu richting Delos stuurde was simpel: het was waar Stephania en Elethe waren. Stephania had haar bedrogen. Ze had haar gebruikt om naar Felldust te komen, en ze had geprobeerd haar te vermoorden. Bovenal had ze geprobeerd om Thanos te vermoorden, al suggereerde de geruchten in Felldust dat hij de bezetting van de stad door de rebellen wel had overleefd.

Felene was tot de conclusie gekomen dat ze wat Stephania had gedaan niet los kon laten. Felene had in haar leven heel wat vijanden gemaakt, maar ze hield er niet van om dingen niet af te maken. Een jaar eerder had ze in Oakford een duel gevochten naar aanleiding van een belediging, en ze had ook ooit een slotenmaker opgejaagd die haar had belazerd; ze was hem helemaal tot halverwege de Graslanden gevolgd.

Stephania moest sterven voor wat ze had gedaan. En wat betreft Elethe…

Op een bepaalde manier was haar verraad erger. Stephania was een slang, en Felene had dat geweten vanaf het moment dat ze voet aan boord had gezet. Elethe was er daadwerkelijk in geslaagd om haar iets te laten voelen. Voor het eerst in haar leven had Felene het gewaagd om verder dan haar volgende diefstal te denken, en ze had gedroomd.

“En wat voor droom,” zei Felene tegen zichzelf. “De wereld over reizen, mooie prinsessen en schone jonkvrouwen redden. Wie denk je dat je bent? Een soort heldin?”

Het leek meer op wat Thanos gedaan zou hebben. Dat leven was niet bedoeld voor iemand als zij.

“Mijn leven zou zoveel makkelijk zijn geweest als ik jou niet had ontmoet, Prins Thanos,” zei Felene. Ze trok aan één van de lijnen om haar boot van koers te laten veranderen.

Ze meende het echter niet. Haar leven zou vooral korter zijn geweest als ze Thanos niet had ontmoet. Zonder hem zou ze op het Eiland der Gevangenen gestorven zijn, en daarna…

Hij was een man die echt een doel leek te hebben. Een man die ergens voor stond, al was Felene er dan voor nodig geweest om hem daaraan te herinneren. Hij was een man die bereid was geweest om te vechten tegen de mensen die hem hadden grootgebracht. Hij had tegen het Rijk gevochten, ondanks het feit dat het makkelijker voor hem geweest was als hij dat niet had gedaan. Hij was bereid geweest om zijn leven op te offeren om Stephania te redden, en dat was precies wat een held gedaan zou hebben.

“Ik denk dat als ik verstandig was geweest, ik voor je gevallen zou zijn,” zei Felene terwijl ze over de prins dacht. Hij was in ieder geval een beter persoon geweest om verliefd op te worden dan Elethe. Maar in dit leven kreeg je niet wat je wilde. En je kon zeker niet kiezen op wie je verliefd werd.

Het was voldoende dat Thanos een man was om te respecteren, om te bewonderen zelfs. Het was voldoende dat de gedachte aan wat hij gedaan zou hebben, Felene een beter persoon maakte.

“In elk geval een verstandiger persoon.”

Felene zuchtte. Het was zinloos om met zichzelf te discussiëren. Ze wist al wat ze ging doen.

Ze zou naar Delos gaan. Ze zou Thanos vinden, als hij nog in leven was. Ze zou Stephania vinden, ze zou Elethe vinden, en bloed zou met bloed vergolden worden. Thanos zou waarschijnlijk gestreefd hebben naar een wat beschaafdere vorm van wraak, maar ze kon anderen slechts tot op een bepaalde hoogte evenaren. Zelfs al ging het om een prins.

Nu restte haar alleen nog de vraag hoe ze Delos binnen zou komen. Felene twijfelde er niet aan dat de stad in oorlog zou zijn tegen de tijd dat ze aan zou komen, als Delos niet al gevallen was. De vloot van Felldust zou waarschijnlijk een drijvende barricade voor de stad zijn, een oude oorlogstactiek om havens te blokkeren.

Niet dat Felene dat iets kon schelen. Ze maakte zo nu en dan een aardige winst door om blokkades heen te smokkelen. Voedsel, informatie, mensen die op de vlucht waren, het was allemaal hetzelfde.

Toch kon Felene zich niet voorstellen dat de soldaten van Felldust haar met open armen zouden ontvangen als ze dom genoeg was om recht op de stad af te varen. In de verte kon Felene al fragmenten van de vloot van Felldust onderscheiden, die als kralen aan een ketting in de richting van het Rijk voeren. De grootste vloot was allang vertrokken, en de rest vertrok nu in clusters, in groepen van drie of vier.

Zij waren waarschijnlijk de meest verstandige. Felene had altijd meer affiniteit gehad voor de mensen die na een gevecht arriveren om te stelen, dan voor degenen die hun levens riskeerden in het gevecht zelf. Zij waren degenen die wisten hoe ze voor zichzelf moesten zorgen. Zij waren Felene’s mensen.

Ineens kreeg ze een idee, en Felene stuurde haar skiff in de richting van één van de groepen. Met haar goede arm trok ze een mes tevoorschijn.

“Ahoy daar!” riep ze in haar beste Felldust dialect. Er verscheen een man aan de reling, die haar met pijl en boog onder schot hield. “Dacht je dat we jullie allemaal aan—”

Hij gorgelde toen Felene het mes gooide en hem halverwege de keel smoorde. Hij voel van de boot en viel met een pols in het water.

“Hij was één van mijn beste mannen,” zei een stem.

Felene lachte. “Dat betwijfel ik, anders had je hem niet over de reling laten kijken om te zien of ik een bedreiging was. Ben jij de kapitein?”

“Dat ben ik,” riep hij terug.

Dat was goed. Felene had geen tijd om te onderhandelen met mensen die daar niet toe bevoegd waren.

“Jullie zijn onderweg naar Delos?” wilde ze weten.

“Waar zouden we anders heen gaan?” riep de kapitein terug. “Dacht je dat we aan het vissen waren?”

Felene dacht aan de haaien die haar bij de kust hadden opgejaagd. Ze dacht aan het lichaam dat ze nu aan het verslinden waren. “Zou toch kunnen. Er ligt aas in het water, en er zit behoorlijk wat winst in dit gebied.”

 

“En nog meer in Delos,” riep de stem terug. “Wilde je je bij ons konvooi aansluiten?”

Felene haalde haar schouders op, alsof het haar niet zoveel uitmaakte. “Ik dacht dat jullie wel een extra zwaard konden gebruiken.”

“En jij een financieel extraatje. Maar je ziet eruit alsof je kunt vechten. Je houdt ons niet op, en je eet van je eigen voorraden. Redelijk?”

Meer dan redelijk, want Felene had haar ingang naar Delos gevonden. Hoe groot het cordon rond de stad ook zou zijn, de vloot van Felldust zou haar geen tweede blik waardig keuren als ze er deel van uitmaakte.

“Redelijk,” riep ze terug. “Zolang jullie mij maar niet ophouden!”

“Klaar voor de strijd. Dat bevalt me wel.”

Ze konden leuk vinden wat ze wilden, zolang ze Felene maar met rust lieten. Laat ze maar denken dat ze meeging om het goud. Het enige dat er iets toe deed was—

De hoestbuit verraste Felene, en deed haar bijna dubbelklappen. Het scheurde door haar heen, en haar longen voelden alsof ze in brand stonden. Ze deed haar hand voor haar mond, en zag dat ze bloed ophoestte.

“Ben je in orde daarbeneden?” vroeg de kapitein van het schip argwanend. “Is dat bloed? Je draagt niet één of andere plaag bij je, of wel?”

Felene twijfelde er niet aan dat hij haar niet aan boord zou laten als hij vermoedde dat dat het geval was. Of hij zou haar boot in brand steken om er zeker van te zijn dat er geen ziekte in de buurt kwam.

“Ben in mijn maag geraakt tijdens een gevecht op de steigers,” loog ze, terwijl ze haar hand aan de reling afveegde. “Het stelt niets voor.”

“Het kan niet veel goeds zijn als je bloed ophoest,” riep de kapitein terug. “Je kunt beter een genezer zoeken. Je kunt geen goud uitgeven als je dood bent.”

Het was waarschijnlijk goedbedoeld advies, maar Felene was nooit iemand geweest die daarnaar luisterde. Als er alleen goud op het spel had gestaan, had ze misschien wel de raad van de man opgevolgd.

“Dat is wat ze zeggen,” grapte Felene. “Ik zeg dat ze niet hard genoeg hun best doen.”

Ze liet de kapitein van het schip lachen. Ze had wel wat beters te doen.

Het was tijd om Stephania en Elethe te vermoorden.

Sie haben die kostenlose Leseprobe beendet. Möchten Sie mehr lesen?