Buch lesen: "Grashalmen"
Walt Whitman
Grashalmen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066066079
Inhoudsopgave
INLEIDING
UIT: INSCRIPTIES
VAN PAUMANOK UIT (fragmenten)
UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK
UIT: ADAMSKINDEREN
UIT: CALAMUS
UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG
UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT
UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL
UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED
UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID
UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE
LIED DES HEELALS
PIONIERS! O PIONIERS!
AAN U
TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN
ZEKERHEID
EEN STILLE GEDULDIGE SPIN
AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN
GEZICHTEN
LIED VAN ZONSONDERGANG
TOT WEERZIENS!
VAARWEL DAN, FANCY!
INLEIDING
Inhoudsopgave
Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste herinnering de Leaves of Grass van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis ging er geen dag om zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna nam ik dagelijks het boek op om te herlezen. Diep was de indruk geweest, dien ik van den arbeid en het leven der Noord-Amerikanen had ontvangen, diep was de indruk, dien ik van de Leaves of Grass ontving. Deze poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met bewondering en eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind beeld der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en denken van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de "athletiscihe republiek": zij openen heerlijke visioenen van wording, ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend recht: het Universum aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een plaats zal aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd.
Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling van wat thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele Leaves of Grass, wel de geheele Whitman, zooals hij zich in de Leaves openbaart. De dichter herhaalt hier en daar wat hij gezegd heeft: er was geen reden die herhalingen te vertalen; buitendien liet ik mij door mijn smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de Leaves of Grass, die mij niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan Whitman ligt. Zoo ook zijn eenig berijmd gedichtje Captain, my captain, dat ik onvertaald liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als dichter toch het heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het denkbeeld mij een gruwel een salon-Whitman te geven. In mijn vertaling spreekt de bard zich uit met dezelfde zware en toch zoo zielvolle stem, die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd verheven, altijd menschelijk, altijd natuurlijk.
Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in Europa, behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt Whitman arm en ongeacht gestorven, nadat hij, om de "onzedelijkheid" van de Leaves of Grass, uit een betrekkinkje aan een ministerie te Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte, een kleine twintig jaar geleden, was het bezwaar om Grashalmen gedrukt te krijgen. Indien ik Whitman fatsoenlijk had willen maken—wat men een bloemlezing noemt, uit zijn Leaves of Grass—zou ik niet bijna vijf jaren hebben behoeven te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt Whitmans werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den eerbied dien ik voor den bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt nu, wel is waar niet in haar geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten.
Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware geweest van mijn literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne boeken vinden weinig lezers: het verlies daarvan is niet geheel aan mijn kant. Het verwonderde noch ontmoedigde mij, dat ik jaren had te wachten eer men mijn Grashalmen wilde publiceeren. De anderhalf jaar met Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door eenig succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd worden.
Over Walt Whitman en zijne Leaves of Grass wil ik hier weinig zeggen. Mijn vertaling geeft de maat aan van de bewondering en de liefde die ik voor deze heerlijke twee-eenheid gevoel. Misschien toch kunnen een paar verklarende woorden hem een of twee lovers meer winnen. Men moet de Leaves of Grass niet nemen als gedichten, Walt Whitman niet als dichter. Om een paar dichters van onderscheiden genie te noemen: Keats, Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman geen dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn zangen zijn als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer men hem leest.
De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven hoog en groot geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk. Hij verkondigde wat recht was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij sprak was de natuurlijke wijsheid van een God-gewijde ziel, door innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens gelouterd. Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij wat harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar zwakheid en lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed, die, geboren uit een onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om alleen en hoog te staan te midden der menschen. Het leven had enkel bekoring en de dood geen verschrikking voor hem. Dus had zijn volk hem erkend als richter van allen, leider van allen, priester en zanger tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een samenleving, de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer geestelijke vorming staat, de oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar verworpen door zijn volk, omdat de menschen van heden niet natuurlijk kunnen zijn.
Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne poëmen, zijne zangen zijn geen gedichten; het zijn visioenen; uitspraken, wetten, poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals het gevonden wordt in de Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda's, in de Psalmen, in het Hooglied.
Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en gedachten zwevend tusschen banaliteit, weemoed en burgermans verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf terecht gewezen: de Leaves of Grass zijn niet voor hem of haar. Wien het gegeven is vrij te zijn van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij in ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en het lezen steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent Whitman grootsche verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid van lichaam en ziel, dien schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen.
Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij ook het tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans vlucht door Tijd en Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem slechts heb kunnen volgen door lager te Wijven dan hij; op andere punten is de vertaling, onder het werk-zelf, en, natuurlijk zonder dat die bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke. Ik gewoel temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles verbeteren wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te noemen, maar wanneer ik, zooals ik hiermeê doe, Grashalmen aan haar opdraag, geef ik haar slechts terug wat zij mij geleend heeft, wetende, dat ik voor mijn leven haar schuldenaar blijf, ook waar mij slechts van haar de nagedachtenis rest.
Sevilla, Oct. '98. M. W.
's-Hage—'17.
UIT: INSCRIPTIES
Inhoudsopgave
MIJN LIED IS VOOR HET IK
Mijn lied is voor het ik, is voor den mensch des eigen levens,
Maar van mijn lippen klinkt het woord Democratie, het woord
En-Masse.
Mijn lied geldt fysiologie van hoofd tot voeten,
Mijn muze is niet enkel gezicht, niet enkel ziel, ze is beiden
en dus meer dan ieder waard:
Mijn lied geldt dan het vrouwelijke volkomen even met het
manlijke.
O Leven onbedwingbaar in uw passie, polsslag, kunnen;
Kracht en Vreugde zijn uw namen, geroepen, gij, tot het vrije
doen door goddelijke wetten.
Mijn lied geldt den modernen mensch.
TOEN IK HET BOEK GELEZEN HAD
Toen ik het boek gelezen had, de veel geroemde levensschets,
Vroeg ik mij af: is dit dan wat de schrijver noemt een menschenleven?
En zoo zal iemand, ben ik dood en heen, beschrijven wat hij
noemt mijn leven?
Alsof iemand in waarheid iets weet van mijn leven,
Terwijl ik zelf vaak denk weinig of niets te weten van wat in
waarheid is mijn leven.
Een paar wenken, een paar sleutelwoorden en aanduidingen
Tracht ik in dit boek ten eigen nut te schrijven.
WERPT VOOR MIJ NIET UW DEUREN DICHT
Werpt voor mij niet uw deuren dicht, gij koude boekzalen,
Want wat op uwe doorgebogen planken 't meest ontbreekt en
wat gij 't meest behoeft, dat breng ik u.
Uit den strijd zelf opkomende, heb ik dit boek gemaakt;
De woorden van dit boek zijn niets, let enkel op zijn ziel, de
ziel is alles,
Dit boek is eenig in de wereld, dit boek heeft niets van
andere boeken, dit boek wordt door het verstand alleen
niet gevat.
Uit ieder blad, uit ieder woord vloeit u de heete stroom des
levens te gemoet.
VAN PAUMANOK UIT (fragmenten)
Inhoudsopgave
1.
Van visch-gelijkend Paumanok uit, waar ik geboren ben,
Wel gewonnen en opgevoed door een treffelijke moeder,
Na in vele landen te hebben gedoold, vriend van menschen-drukke
straten,
Toever in Mannahatta[1], mijn stad, of op de Zuider-savanna's,
Dan als soldaat in 't kamp, of dragend geweer en ransel,
straks mijngraver in Californië,
Boersch in mijn huis in Dakota's wouden, sober mijn maal
met een dronk bronwater.
Nu ingetogen tot aanschouwing en bepeinzing in stille eenzaamheid,
Ver van de plaats waar het voetstapgeschuifel der menigte
druischt, gelukkig en dankbaar,
Bewust van den frisschen, vrijen gids, den stroomenden
Missouri, bewust van de machtige Niagara,
Bewust van de buffelskudden, grazende op de vlakten, den
harigen, sterkborstigen stier,
Door aarde en rotsen en bloemen der vijfde maand ervaren,
door sterren, regen en sneeuw getroffen,
Na des lachvogels lied en des bergvalks vlucht te hebben
bestudeerd,
Na in den ochtendstond het lied te hebben gehoord van den
weêrgalooze, den eenzamen lijster der moeras-ceders,
Eenzaam als hij, in het Westerland zingend, neem 'k mijn
vlucht voor nieuw een wereld.
[1] New-York.
2.
Victorie, Unie, Geloof, twee-een zijn, tijd,
De onverbrekelijke tezaam-gevoegden, schatten, mysterie,
Beschaving als natuurwet, de kosmos, en de nieuwe arbeid.
Aldus het leven,
Hier is wat op kwam na zooveel weeën en krampen.
Hoe wonderlijk en tevens: hoe reëel!
De goddelijke aarde onder onze voeten, boven ons hoofd
de zon.
Zie den aardkloot wentelen,
De vader-continenten bijeengegroept ter zij,
De continenten van heden en toekomst, Noord en Zuid, en de
landengte daar tusschen.
Zie, onafzienbre ongebaande landen,
En steeds gewijzigd, als in een droom gezien, woelt daar het
leven,
Ontelbre menigten trekken over hen voort.
Nu zijn ze bedekt met een volk, dat de beschaving leidt, dat
kunsten leven doet, dat al wat goed is lief heeft.
Zie, heenvloeiend door de tijden,
En voor mij uit een oneindigheid van menschen die mij
hooren.
Met vasten en gelijken tred gaan zij hun weg, en nimmer
rusten zij,
En altijd volgen anderen, Americanos, een honderdtal millioenen,
De eene generatie doet wat zij vindt te doen en volgt het
voorgeslacht,
Een andere generatie komt en doet wat is te doen en volgt
dan in haar spoor.
Zij gaan en keeren het gelaat eerst zijwaarts, achterwaarts
vervolgens, naar mij luisterend,
De oogen in het gaan op mij gericht.
3.
Americanos! overwinnaars! humaniteitsarmeeën!
Voorwaarts! Nooit rust de eeuw! Libertad! Menigten!
Aan u een reeks van zangen.
Zangen van de prairiën,
Zangen van den ver weg vloeienden Mississippi, neerwaarts
naar de Mexicaansche zee,
Zangen van Ohio, Indiana, Illinois, lowa, Wisconsin en Minnesota,
Zangen als een stroom uit Kansas' harte vloeiend en voortsnellend
in en naast rivieren,
Uit het hart van Amerika zelf schietend door hare polsen als
vloeiend vuur, dat al doet leven.
4.
Neem deze zangen dan, Amerika, neem hen ten Zuid en
neem hen ten Noord,
Bereid hun overal een welkom, want zij zijn leven van uw
leven,
Verklaar hen Oost en West, want zij verklaren u,
En gij, Verleden, heb hen lief, want zij hebben ook liefde
voor u.
Eén in gedachten was ik met vervlogen tijden,
Ik zat aan de voeten der groote meesters en luisterde
naar hen,
Nu, ware 't mogelijk, o dat de groote meesters konden terugkomen
en luisteren naar mij.
Zal ik, in dezer Staten naam, de Oudheid smaden?
Weet ik dan niet, dat zij de kinderen zijn dier Oudheid, en
haar verklaren?
5.
Gestorven dichters, filosofen, priesters,
Gij martelaars, gij zoekers, kunstenaars, verdwenene
regeerders,
Gij die in verre landen uw taal eens tot nieuw leven riept,
Gij natiën eens gevreesd, nu klein, vergeten of vervallen,
Voor ik saluut breng aan wat er van uw geest nog in ons
naleeft durf ik niet uitgaan tot mijn arbeid,
Ik heb met u een wijl geleefd en beken dat gij bewondering
verdient,
Ik denk: nooit kan iets grooter zijn dan het is, niets kan ooit
meer verdienen dan het verdient,
Ik heb, voor ik u losliet, u gedachtenvol een langen tijd aanschouwd,
Nu sta ik hier op eigen plaats en in eigen tijd.
En met mij de landen vrouwelijk en mannelijk.
En met mij de erfgenamen der wereld vrouwelijk en mannelijk,
en met mij het vuur der materie,
En met mij het ideaal: verklaring van God, door allen openlijk
erkend,
De altijd voor ons uit zwevende finale van wat daar zichtbaar
is,
De Al-voldoener, die, na lang gedwaald te hebben, nu zijn
weg kiest,
Ja, zij is hier, de Ziel, haar die ik liefheb.
6.
De Ziel,
Altijd en immer, vóór de aarde bruin en vast was levende,
vóór water keerde en weerkwam, ebbe en vloed, levende!
Niettemin zal ik de materie bezingen, omdat ik door haar
't schoonst de ziel bezing,
En ik zal mijn lichaam en mijn sterflijkheid bezingen,
Want dán en daardoor vloeit door mij het lied van ziel en
onvergankelijkheid.
Ik zal een lied zingen voor deze Staten, dat niet een hunner,
in wat omgaan ook, zij onderworpen aan een anderen Staat,
En ik zal een lied zingen, dat er overleg zij, bij dag en bij
nacht, tusschen al de Staten en tusschen elk twee-tal hunner,
En ik zal een lied zingen bestemd om gehoord te worden door
den President, vol van scherppuntige dreigende wapens,
En achter die wapens ontelbare ontevreden gezichten,
Ook zing ik een lied van de Eene die uit allen geschapen is,
De vreesbre, luistervolle Eene, die groot is bovenal,
De onwrikbre, de strijdbre Eene, omvattend al en bovenal,
Hoe hoog het hoofd van iemand zij, Haar hoofd is bovenal.
Ik zal alle landen die leven hulde brengen,
Ik zal de landbeschrijving van heel de aarde volgen en een
eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of klein,
En aan allen arbeid! Ik zal zeggen in mijn gedichten, dat met
U, ter land en zee, het ware held-zijn is,
En ik zal dat held-zijn gadeslaan met de oogen van een
Amerikaan.
Ik zal het lied zingen der kameraadschap,
Ik zal aantoonen wat enkel en ten slotte de menschen
moet bijeenbrengen,
Ik geloof zij zullen hun eigen ideaal van sterke liefde hebben,
zoo als dat nu reeds in mij leeft,
Aldus zal ik hoog laten opvlammen uit mijn ziel de laaiende
vuren die mij dreigden te verteren,
Ik zal deze vuren, die te lang smeulden, vrij-geven,
Ik zal hen vrijelijk laten woelen,
Ik zal schrijven het evangelium-gedicht van kameraden en
van liefde,
Want wie beter dan ik verstaat de liefde met al haar verdriet
en haar vreugd?
En wie eerder dan ik zou de dichter zijn der kameraadschap?
7.
Ik geloof in de deugd, in de eeuwen, in de rassen,
En ik ga uit voor een arbeid in den eigen geest van het volk,
Hoort dan het lied van onbeperkt geloof.
Omnes! Omnes! Laat anderen onbewust zijn van wat zij niet
kennen,
Ik maak een gedicht ook ter eere van het kwade, ik sla dit
levensdeel niet over,
Ik-zelf ben juist even kwaad als goed en zoo is ook mijn
volk—en ik zeg: in werkelijkheid is er geen kwaad.
(En zoo er kwaad is, dan is dit voor U, voor allen, voor mij
even gewichtig als wat ook in het leven).
Ook ik, velen volgend en door velen gevolgd, breng een
religie tot wijding, ik daal in den arena af,
(Misschien wel bestemd de luidste kreten, den overwinningsroep
te doen hooren,
Wie weet? Dat die kreten dan nu reeds van mij worden gehoord).
Niemand is enkel om zijnentwil,
Ik zeg de geheele aarde en al de sterren in het firmament
zijn daar om religiëns wil.
Ik zeg: niemand was tot nu half vroom genoeg,
Niemand heeft ooit aangebeden en vereerd half genoeg,
Niemand heeft er nog aan gedacht hoe divijn hij zelf en hoe
zeker de toekomst is.
Ik zeg de ware en blijvende grandeur dezer Staten moet hun
religie zijn,
Zonder religie is er geen ware en blijvende grandeur,
(Noch karakter, noch leven dien naam waardig zonder religie,
Noch land, noch man of vrouw zonder religie).
8.
Wat, jonge man, is uw streven?
Zijt gij zoo ernstig, zoo vol toewijding voor litteratuur, wetenschap,
kunst, amours?
Deze tastbare realiteiten, politiek, dingen?
Uw eerzucht of uw vak, wat dan ook?
't Is goed,—ik heb tegen dezulken niets, ik ben ook hun
dichter.
Maar zie! Zie hoe snel in brand en snel verteerd, zie dit
branden om religiëns wil;
Niet alle brandstof verwarmt in haar gloeien, niet alle vlam
geeft licht aan het eigenlijk leven dezer aarde:
Voor religie is alles meer dan dit.
9.
Wat zoekt gij zoo nadenkend en zwijgzaam?
Wat is uw nood, Camerado?
Lieve zoon, denkt gij liefde is wat gij behoeft?
Luister, lieve zoon, luister Amerika, 't zij dochter of zoon,
't Is een smartenlast een man of vrouw onstuimig lief te
hebben, en toch 't verheft ons en 't is groot,
Maar er is iets anders zéér groot, iets dat het al omvat,
Dat, heerlijk boven alle stof verheven, met onvermoeide
handen uitstrooit voor allen en zorgt voor allen.
10.
Eens toen ik wandelde, in Alabama, mijn morgenwandeling,
Zag ik hoe in de struiken het wijfken des lachvogels op haar
nest zat en haar jongen koesterde.
Ook zag ik het mannetje,
En ik stond een wijl dichtbij en luisterde naar zijn heerlijk
lied van leven.
En toen ik daar wijlde kwam het in mij, dat hij niet enkel
zong voor wat dicht aan zijn zijde was,
Niet enkel voor zijn gezellinne, niet enkel voor zichzelf, noch
enkel voor de echo's die het lied aan het verleden schonken.
Maar wonder-zacht, onmerkbaar bijna, heel ver omhoog,
Schonk en vertolkte hij in 't lied een hemelgift voor hen die
pas geboren waren voor de toekomst.
11.
Democratie! dicht bij u zingt nu een stem het lied des
levens, blijde en krachtig.
Ma femme! Voor onze kinderen van toekomst en heden,
Voor hen, die om ons heen zijn en voor hen die komen,
Ik, juichend, nu mij-zelf bewust, doe opluiden mijn zangen,
kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde gehoord.
Ik zal den zangen van de passie vrijgeven,
En ook uw zangen, wetschenders en uitgestootenen, want ik
zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart, zoo
goed als de anderen.
Ik zal het ware gedicht der schatten schrijven,
En voor lichaam en geest winnen al wat zij behoeven en wat
leven heeft voor hen en door den dood niet wordt geschaad;
Ik wil egotisme zaaien en toonen, dat het de kiem van alles
is, en ik wil de bard van het karakter zijn,
En ik zal toonen, dat man en vrouw volkomen elkaars gelijke
zijn,
En sexueele organen en daden! Versterkt U in mij, want ik
ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig te
verkondigen, dat gij verheven zijt,
En ik zal toonen, dat er in het leven geen onvolmaaktheid is,
en dat zij ook in de toekomst niet zal zijn,
En ik zal bewijzen, dat wat ons in het leven overkomt, de
gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen,
En ik zal verklaren, dat ons niets lieflijkers kan overkomen
dan de dood,
En door mijne poëmen zal de gedachte vloeien, dat het
eeuwige en het tijdelijke hetzelfde zijn,
En dat alle dingen des heelals wonderen zijn, elk hunner zoo
groot als een ander.
Ik zal niet dichten om een deel slechts eer te geven,
Ik wil dichten, zingen, denken ter glorie van het Al,
En ik zal niet zingen om een enkelen dag, maar om alle
dagen te eeren,
En ik zal niet een enkel gedicht, noch een enkelen regel van
een gedicht schrijven, zonder de ziel te eeren,
Immers, na het leven des Heelals te hebben aanschouwd, vind
ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de ziel.
12.
Vroeg daar iemand de ziel te zien?
Zie uw eigen gestalte en gelaat, de menschen, de dingen, de
beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en de
woestijnen,
Alles heeft eens het Paradijs gekend en later verloren;
Hoe kan dan waarlijk het lichaam ooit sterven en begraven
worden?
Of waarlijk uw lichaam, of waarlijk het lichaam van welken
man of welke vrouw ook,
Iedere atoom van ons lichaam ontsnapt aan de hand des
afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk leven zijn,
Met zich nemende al wat bezeten en ontvangen werd van het
moment der geboorte tot het oogenblik des doods.
De lettertypen door den zetter bijeengevoegd geven in hun
afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers niet
beter weer,
Dan eens mans wezen en leven of eener vrouw door lichaam
en ziel worden weergegeven,
Onverschillig voor den dood of na den dood.
Zie dan, het lichaam bevat de meening en de bedoeling Gods,
het bevat en is de ziel;
Wie gij ook zijt, hoe heerlijk en hoe goddelijk is uw lichaam
en ieder deel uws lichaams!
13.
O Camerado dien ik liefheb! O gij en ik vereend ten laatste
en wij tweeën nu voor ons-zelf alleen!
O, één woord dat het leven schoon en kostelijk en eindeloos
maakt!
O, iets dat ons extase geeft en niet van deze aarde! O muziek
van passie!
O, nu is mijn triumf volkomen en de uwe met de mijne;
O, hand in hand—O, enkel vreugde—O, een die mij
begeert en liefheeft meer!
O, het leven is ons! Spoeden wij ons! Spoeden wij ons! Spoed
U met mij voort naar de toekomst!
Die kostenlose Leseprobe ist beendet.