Buch lesen: "Reisjes in Zuid-Vlaanderen"

Schriftart:

Theodoor Sevens

Reisjes in Zuid-Vlaanderen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311605

Inhoudsopgave

I.

Reizen.

II.

De Vlaamsche Ardennen.

III.

Kortrijk.

IV.

Naar Groeninge.

V.

De omstreken van Kortrijk.

VI.

De hofsteden “ten Akker.”

VII.

Naar den Lauweberg.

VIII.

Naar Harelbeke.

IX.

Naar Zwevegem, Moen en Heestert.

X.

Naar Tiegem.

XI.

Naar het Kapelbosch.

XII.

Naar Quaremont en den Kluisberg.

XIII.

Oudenaarde.

XIV.

Naar Leupegem en Edelare.

XV.

Naar Gaver.

XVI.

Binders of Branders.

Eene bladzijde uit de geschiedenis van den Boerenkrijg

XVII.

Naar Zottegem.

XVIII.

De omstreken van Zottegem.

XIX.

Geeraardsbergen.

XX.

Op den Ouden berg.

XXI.

Eene Geeraardsbergsche sage.

XXII.

De omstreken van Geeraardsbergen.

XXIII.

Ronse.

XXIV.

Naar het bosch-Joly.

XXV.

Naar den Hootond en de Kruisen.

XXVI.

Naar den Muziekberg.

XXVII.

Nog in het land van Ronse.

XXVIII.

De Fiertere van Ronse.

XXIX.

Naar den Pottelsberg.

XXX.

Naar Ellezelle.

XXXI.

De schilder van Ellezele.

I.
Reizen.

Inhoudsopgave

Onder de menigvuldige boeken en handschriften, door wijlen Goethals-Vercruysse aan de stad Kortrijk geschonken, vindt men den «Grooten Gentschen comptoir-almanach voor 1767

De bezitter van dit boek teekende, op de witte deelen der bladzijden, allerhande gebeurtenissen aan, welke gedurende het genoemde jaar voorvielen.

Zoo schreef hij in de maand Juni:

«Men heeft tot Ghendt ghevierd met de uyterste pracht het zeven honderdjarig jubile van de verheffing der reliquiën. Ick ook trok, den 30 's morgens vroeg, het quart na vier ure, in compagnie van vier andere personen in eene koetse naer die stad. Wy waren 's voornoens ten tien ure en half tot Ghendt, en hoorden de elvemisse by de Recolletten.»

Wat zou de brave man verbaasd staan kijken, indien hij weer in ons midden kon verschijnen! Ontelbare ijzeren wegen doorkruisen hedendaags gansch de beschaafde wereld. In ons kleine vaderland heeft het net eene lengte van meer dan vijf duizend kilometers...

Zoodra men den stoomwagen kende, kwam de afstand niet meer in aanmerking. In ruim vijf uren vliegt men van Brussel naar Parijs; in vier en twintig uren stoomt men langs Namen, Luxemburg, Mets, Straatsburg, Stuttgart en Munich naar Weenen, in Oostenrijk.

Dit gemak, gevoegd bij de geringheid der vervoerprijzen en de algemeene verspreiding van het onderwijs, heeft de menschen den lust tot reizen ingedreven.

Voor 23 fr. mag men, gedurende vijftien dagen, op al de ijzeren wegen van den Belgischen Staat, naar hartelust weg- en wederreizen.

Zelfs de mindere man is niet meer tevreden met de tuinen en velden, met de weiden en bosschen, die zijn geboortedorp omringen; hij wil de wijde wereld in, om met eigen oogen de werken der nijverheid, de voortbrengselen der kunst en de schoonheden der natuur te bewonderen.

Hij droomt van het groote Londen en het prachtige Parijs; van Zwitserland, met zijne Alpen en sneeuwvelden, met zijne dalen en meren; van Rome, met zijne prachtige gebouwen; van het zonnige Oosten en het bedrijvige Amerika.

Dan, velen haken naar vreemde landen en verre gezichten, en kennen de wonderen niet, welke de Voorzienigheid in ons klein land zoo kwistig ten toon spreidde.

Hebben wij geen verrukkelijk zeestrand? Geene vruchtbare velden en malsche beemden? Geene zindelijke steden en vriendelijke dorpen? Hebben wij in het Zuid-Oosten, in Luik, Luxemburg en Namen, geene heerlijke bergen en dalen? Geene watervallen en majestatische grotten? Geene rijke mijnen en steengroeven?

Wij stellen ons voor het zuidelijk gedeelte van Oost- en West-Vlaanderen — de Vlaamsche Ardennen — te doen kennen. Niet zelden zullen wij, om den weetgierigen lezer te bevredigen, onze beschrijvende schetsen met historische en andere bijzonderheden afwisselen.

Want het woord van den dichter blijft altoos waar: Ken uw land, en gij zult het beminnen!

II.
De Vlaamsche Ardennen.

Inhoudsopgave

Als men op eene landkaart eene rechte lijn trekt van Kortrijk naar Oudenaarde, eene andere van Oudenaarde naar Geeraardsbergen, eene derde van Geeraardsbergen naar Ronse en eene laatste van Ronse naar Kortrijk, zoo vormt men eene bijna regelmatige ruit, die ongeveer negen mijlen lang en nagenoeg drie mijlen breed is.

Daar zijn «de Vlaamsche Ardennen.»

Zuid-Vlaanderen is eene landbouwstreek. De grond is door den band kleiachtig, en brengt goede oogsten voort: tarwe en rogge, gerst en haver, aardappelen, wortelen en rapen, vlas en klaver.

Twee heuvelreeksen loopen langs de oevers der Schelde: de eene aan den noordwestkant, de andere aan den zuidoostkant des strooms.

De eerste scheidt den Scheldekom van den Leikom. Zij begint over Bellegem, loopende langs Sint-Denijs en Moen naar het Banhout, naar Ootegem, Ingooigem, Tiegem, Kaster, Ansegem, Gijzelbrechtegem en Wortegem.

De zuidelijke keten begint aan den Kluisberg, bij Ronse, en richt zich langs Quaremont, Nukerke, Edelare en Eename naar Gaver. Eene vertakking gaat oostwaarts, tusschen Quaremont en Ronse, naar het woud van Vloesbergen, op de scheiding van Oost-Vlaanderen en Henegouw, naar Geeraardsbergen en het Brabantsche. Te Geeraardsbergen onderscheidt men nochtans het dal van den Dender.

Tot de aanzienlijkste verhevenheden behooren: de Perreberg, te Sint-Denijs; de Keiberg, op het grondgebied van Moen, en de hoogvlakte van Tiegem, in West-Vlaanderen; — de Edelareberg, bij Oudenaarde; de Koppenberg, bij Melden; de Kluisberg, tusschen Avelgem en Ronse; de Hootond, benoorden Ronse; de Muziekberg, ten Oosten van dezelfde stad, en de Oudeberg, bij Geeraardsbergen, in Oost-Vlaanderen; — de Pottelsberg en de berg van Rhodes, in Henegouw.

Verscheidene beken vloeien naar de Schelde.

De Braambeek, komende van Sint-Denijs, kronkelt door Moen, en scheidt verder Heestert van Autrijve en Autrijve van Avelgem. In de XVIIe eeuw bracht zij nog eenen watermolen in beweging.

De Arnoldusbeek ontstaat te Tiegem en vloeit naar Avelgem.

De Ronne komt uit Henegouw, scheidt deze provincie van Oost-Vlaanderen, loopt langs Amengijs (Amougies) en Orroir, en valt tegen Avelgem in de Schelde. Dit riviertje gaf zijnen naam aan de stad Ronse.

De Markebeek neemt haren oorsprong aan den voet van den Pottelsberg. Zij bespoelt de gemeenten Schoorisse, Marke en Etikhove en mengt, bij Leupegem, hare wateren met die der Schelde. Zeven watermolens werken op de Markebeek.

De Zwalme ontspringt tusschen Vloesbergen en Nederbrakel. Zij besproeit deze gemeente en verder Michelbeke, Roosbeke, Rooborst, Munkzwalm en Nederzwalm, vallende in de Schelde tusschen Welden en Hermelgem. Het dal der Zwalme is overal zeer schilderachtig.

In het dal der Lei vinden wij de Klakkaardsbeek, op het grondgebied van Kortrijk, en de Kastelnijbeek, te Vichte. Dit laatste riviertje scheidde vroeger de kastelnij van Kortrijk van die van Oudenaarde.

Aan de kanten van Geeraardsbergen kronkelt de Molenbeek naar den Dender.

De vaart van Kortrijk naar Bosuit, gedolven in 1858-1859, verbindt de Lei met de Schelde, langs Zwevegem en Moen. Tusschen deze twee gemeenten, op het gehucht Knokke, heeft men eenen tunnel gedolven, die 665 meters lang en, met den trekweg, 6 meters breed is.

Zuid-Vlaanderen bezit nog verscheidene bosschen: het bosch van Bellegem, tusschen Kortrijk en Doornik; het Banhout, bij Heestert; het Bouveloobosch, tusschen Ansegem en Wortegem; het Kapelbosch, te Tiegem; de bosschen van den Kluisberg en den Muziekberg; het bosch van Vloesberge en het bosch te Rijst, niet verre van Opbrakel.

In vroegere eeuwen waren die wouden natuurlijk veel grooter dan thans. Vossen en wolven hadden daar hunne schuilplaats. Tusschen Volkegem en Eename wijst men den reiziger nog den Wolvenberg aan. Meer dan éene gemeente heeft eene Wolvenstraat of eenen Wolvenhoek.

Nu en dan gebood men klopjachten, ten einde de wolven onschadelijk te maken. Zoo lezen wij in de kleine Keurboeken der stad Kortrijk (1586): «Also myn heeren de hoochbailliu deser stede, metgaders de hoochpointers ende vryscepenen van de cassellerie van diere, gheinformeert zyn van de groote ende onsprekelicke schade, die de wolven in alle de prochiën de aerme landlieden zyn doende... zo eyst, dat zy goed ende expedient ghevonden hebben woensdaghe naest, metgaders noch de drie woensdaghen naervolgende, te doen eene generale jacht in elke prochie van de voorseyde cassellerie, opdat door zulk middel de voorseyde wolven zouden moghen aehterhaelt ende betrapt worden, immers ten minste verjaecht uit deze contreye.»

In het Ambacht van Veurne breide men het volgende jaar «wulvenetten.» Verder betaalde men verscheidene «weynaers,» die, zegt de kastelnijrekening, «wulven ghevanghen hadden.»

Talrijke spoorwegen doorsnijden de Vlaamsche Ardennen, en zullen onze uitstapjes vergemakkelijken. Het zijn: de baan van Kortrijk naar Oudenaarde, langs Stassegem, Deerlijk, Vichte, Ansegem, Elzegem en Petegem; — de baan van Kortrijk naar Ronse, langs Zwevegem, Moen, Avelgem, Orroir, Amougies en Rozenaken of Russignies; — de baan van Oudenaarde naar Gent, langs Eine, Heurne en Asper; — de baan van Oudenaarde naar Zottegem, langs Eename, Munkzwalm en Rooborst; — de baan van Oudenaarde naar Ronse, langs Etikhove; — de baan van Oudenaarde naar Avelgem, langs Melden, Berchem en Ruien; — de baan van Ronse naar Zottegem, langs Opbrakel, Nederbrakel en Michelbeke; — de baan van Zottegem naar Geeraardsbergen, langs Erwetegem, Maria-Lierde en Hemelveerdegem; — de baan van Ronse naar Lessen, langs Ellezele en Vloesbergen; — de baan van Lessen naar Geeraardsbergen.

Van Oudenaarde naar Ronse stoomende, komt men door eenen onderaardschen gang, die 420 meters lang is.

III.
Kortrijk.

Inhoudsopgave

Kortrijk, gelegen op de twee oevers der Lei, heeft eene uitgestrektheid van ruim 2115 hectaren, deels in bebouwden, deels in onbebouwden grond.

De eerste keure, aan de gemeente verleend, is van 1190.

Nochtans was de eigenlijke stad, vóór 1386, niet groot. Zij was 600 meters lang, van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten, tusschen de Lei en de Doorniksche poort; en 400 meters breed, van het Noord-Oosten naar het Zuid-Westen, tusschen de Kanunnikpoort en de Rijselsche poort.

Het grafelijk kasteel stond destijds in den Noord-Oostelijken hoek, bij den oudsten Broeltoren, tusschen de Lei, den wal der stad en de kerk van O.-L.-Vrouw.

De vergrootingen van Kortrijk gebeurden na 1386, door het delven der kleine Lei; — na 1453, door de inlijving van Overbeke, buiten de Steenpoort; — na 1577, door de versterking van Overlei.

Toen Philip de Stoute de wethouders machtigde om de kleine Lei te graven, liet hij ook, bij de huidige Vischmarkt, een nieuw kasteel bouwen. Dit slot had zes torens en een grootsch voorkomen.

Omtrent het midden der XVIIe eeuw maakten de Franschen zich meester van de stad. Waar nu de Esplanade is, braken zij twee kloosters en ruim 300 huizen af. Tusschen de Esplanade en de Lei bouwden zij in 1647 eene vesting, voorzien van bolwerken en verschansingen.

In de laatste zestig jaren heeft Kortrijk een nieuw uitzicht gekregen. Men vindt er verscheidene nieuwe wijken, met sierlijke lanen en breede, goed verluchte straten. De breedste straten kregen twee reeksen schoone boompjes.

Kortrijk was meer dan eens het tooneel van gewichtige gebeurtenissen.

Iedereen weet te spreken van den slag der Gulden Sporen, geleverd den 11 Juli 1302. Gedurende de worsteling schoten de Franschen uit het kasteel het Begijnhof en eenige huizen aan de Markt in brand.

Tachtig jaren nadien legden de overwinnaars van Roosbeke de stad in asch. Eene belasting op het bier en den wijn moest dienen om de gemeente uit hare puinen te doen oprijzen.

In 1539 spanden Gent en Kortrijk samen tegen Karel V. Deze kwam uit Spanje en strafte beide steden.

De XVIe eeuw was een tijd van jammerlijke woelingen, van rooverijen en bloedstortingen. Van den 12 Februari 1578 tot den 27 Februari 1580 zetelden de Geuzen op het stadhuis, al de kloosters verwoestende, al de kerken plunderende.

De grootste helft der XVIIe eeuw was almede een droevig tijdperk. De Franschen overrompelden de stad in 1667 en in 1683. De gemeente kwam van lieverlede tot zulke armoede, dat een groot deel van de inwoners de vlucht namen.

Nog rampzaliger waren de laatste jaren der XVIIIe eeuw, wanneer men, zooals Conscience aanmerkt, niets meer eerbiedigde: noch godsdienst, noch zeden, noch eigendom, noch wetten der menschelijkheid.

Kortrijk. — De Broeltorens.

Eene bulle van Eugenius IV, van 1434, zegt, dat Kortrijk alsdan 23000 ingezetenen telde. Vóor de Fransche omwenteling bedroeg de bevolking 11134 zielen; in 1820 ruim 15800; in 1867 ongeveer 23650; op het einde van December 1898 meer dan 33380. Ziedaar wel een bewijs, dat de nijverheid en de handel er bloeien en weelde verspreiden.

Ten jare 1382 verslond het vuur eene menigte gebouwen, waaronder het stadhuis en Sint-Martenskerk.

Simon van Assche, een Gentenaar, herbouwde het stadhuis in 1417 en volgende jaren. Gillis Pauwels, van Brussel, vervaardigde «eene wandelinghe of borstweere» boven den gevel; Jan Rueele en Willem Eubins, beiden van Kortrijk, kapten andere versieringen. In de nissen stelde men beelden van heiligen.

Een Gentsche kunstenaar, te Kortrijk gevestigd, Marcus van Ghistel, «stoffeerde de balken,» leverde «glasen veysteren,» en schilderde met zijnen broeder «de beteekenisse van den jugemente ten uutersten daghe.» De XVe eeuw was een lijd van stoffelijke welvaart voor Vlaanderen. Ook maakten de schepenen een praalgebouw van den tempel der wet.

Het stadhuis werd vergroot en gedeeltelijk herbouwd in 1526-1530. In 1872 heeft men den voorgevel nogmaals hersteld.

Twee groote, schoone schouwen wekken de bewondering der bezoekers. Zeker bestonden zij in 1527, aangezien de wethouders van Oudenaarde dit jaar eenen kunstenaar verzochten om er eene schets van te maken. In 1417-1418 kapte de reeds genoemde Willem Eubins twee lijsten «om de caven,» die men in het stadhuis maken zoude, «eene boven ende eene beneden.»

De schouw der bovenzaal is 2m,98 breed en 1m,32 hoog. Zij beslaat uit verscheidene vakken. Het hoogste vak telt acht beelden: het Geloof, de Nederigheid, de Milddadigheid, de Zuiverheid, de Naastenliefde, de Matigheid, het Geduld en de Waakzaamheid. In het tweede vak vindt men de Gerechtigheid en den Vrede, benevens acht ondeugden, passende onder de genoemde deugden: de Afgoderij, de Hoovaardigheid, de Gierigheid, de Onkuischheid, den Nijd, de Gulzigheid, de Gramschap en de Traagheid. In het midden van dit vak prijkt het beeld van Karel V, waaruit volgt, dat het kunstwerk zich niet meer in zijne oorspronkelijke gedaante voordoet.

Het derde vak behelst raadselachtige onderwerpen. Evenwel ziet men dadelijk, dat de beeldhouwer gedacht heeft aan de kastijding der ondeugden en driften, welke hij in het middelste vak voorstelde.

De schouw der benedenzaal is niet zoo fijn gebeiteld als de andere. Zij heeft insgelijks veranderingen ondergaan en vertoont: Mozes en den Zaligmaker; Albert en Izabella; O. L. Vrouw, met haar kindeken op den arm; Sint Marten, met het wapen van Kortrijk in de hand; Sint Salvator, met het wapen van Harelbeke; Sint Pieter, met het wapen van Tielt; Sint Egidius, met het wapen van Deinze; Sint Vedastus, met het wapen van Meenen, en Sint Elooi, met het wapen der dertien parochiën.

Guffens en Swerts hebben over eenige jaren de onderste schouw en de muren der zaal met goud en kleuren belegd, gelijk zij oorspronkelijk geweest zijn. Dit werk kostte 30000 fr.

Buiten eene menigte kostbare handvesten bewaart men ten stadhuize den kleinen, ruitvormigen steen, dien de abdis van Groeninge op het graf van Sygis, den koning van Majorka, liet leggen.

De eerste Halle van Kortrijk stond op de Groote Markt. Hedendaags prijkt daar nog een deel van het Belfort, voorzien van eene kleine spits en vier torentjes. Dit bijvoegsel is van 1519-1520. «Twee meesters werelieden van Ghendt,» en «twee meesters werelieden van Ryssele,» hier ontboden «by proosten en scepenen,» oordeelden immers, «dat de torre niet helpelic en was.» Vroeger was het Belfort zeer hoog. Een ijzeren man, Manten geheeten, sloeg de uren met zijne vuisten.

De nieuwe Halle, in de Doorniksche straat, dagteekent van het midden der XVIe eeuw. In 1549 ontboden de schepenen verscheidene personen uit Doornik en Maubeuge «omme te overziene het werc van der nieuwer halle en te adviseeren het vulbringen van diere,» dit met den minsten kost mogelijk.

De twee Broeltorens zijn merkwaardige gedenkstukken van vroegere krijgsbouwkunde. Even oud zijn ze niet. De toren, op den linkeroever der Lei, werd gebouwd uit kracht van een octrooi, onderteekend te Atrecht den 18 April 1411; de andere — de Speitoren — bestond vóor de uitvinding van het buskruit. Dit blijkt uit de bouwstoffen der grondvesten, uit de breedte der schietgaten, alsook uit den afstand tusschen die gaten en de vloeren.

In den Speitoren vindt men thans het museüm oudheden.

Sint-Martenskerk bestaat uit deelen van verschillende tijdstippen. Eenige pijlers, tusschen de vont en het koor, zijn uit het midden der XIIIe eeuw; de voorkerk, gebouwd door Willem Alussen, is van 1413-1450. De kruisbeuk dagteekent van 1458-1468; de vont van 1473-1474; het koor van 1870. Vóor den brand van 1862 was het koor uit de XIVe eeuw, de Sinte-Annakapel van 1514-1522. Het metselwerk van den toren was voltooid in 1439; de houten naald in 1602. Toen Frans Heylinck, van Antwerpen, in 1601 den «eersten naghel had geslagen,» kreeg hij een geschenk van wijn.

Sint-Martenskerk bezit eenige goede kunstwerken: een H.-Sacramentshuis, gebeiteld door Hendrik Mauris in 1586; eene degelijke schilderij van Bernaard de Ryckere, van Kortrijk, de Nederdaling van den H. Geest over de Apostelen voorstellende; een tafereel van Karel van Mander, verbeeldende de onthoofding van Sinte Katharina; een koperen altaar, over weinige jaren geleverd door M. Fierlefyn. Het snijwerk der vont, de zeven H. Sacramenten voorstellende, is eveneens zeer merkwaardig.

Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen, die gaarne te Kortrijk verbleef, bouwde in 1200 de kerk van O.-L.-Vrouw, en vestigde er een kapittel van twaalf kanunniken met eenen deken.

De kerk behoort tot den overgangsstijl, evenals de kerk van Pamele, die slechts dertig jaren jonger is. Eigenaardig is zij opgevat, in ongewonen vorm en ongewone lijnen, maar toch schoon in stand en samenstelling.

Het koor schijnt hersteld te zijn geworden na de ramp van 1382. De kapel der Onbevlekte Ontvangenis is van 1420.

Lodewijk van Male stichtte de heerlijke kapel der graven van Vlaanderen, een vorstelijk gebouw, waaraan de beste meesters uit de tweede helft der XIVe eeuw arbeidden. Dit deel was voltooid in het voorjaar van 1374. In de jaren 1866-1870 heeft men de grafelijke kapel prachtig hersteld, dank aan de kennis of de begaafdheden van kanunnik F. van de Putte, Jan van der Plaetsen, baron Bethune en anderen.

De kerk van O.-L.-Vrouw bezit eene prachtige schilderij van Antoon van Dyck: de Oprichting van het kruis; een kostbaar marmeren altaar, geplaatst door Hubert Boreux, van Dinant; alsmede eene reliquie van onschatbare waarde: een haarlokje des Zaligmakers, medegebracht uit het H. Land door Philip van Elzas.

Het was in de kapel van O.-L.-Vrouw, achter het hoofdaltaar, dat de Vlamingen in 1302 dankbaar de gulden sporen ophingen, welke zij op het zegeveld van Groeninge gevonden hadden. Toen men over eenige jaren het witsel van het gewelf krabde, ontdekte men aldaar de schildering van 116 zwarte leeuwen op gelen grond.

In de eerste helft der XVIIIe eeuw bekleedde men het geheele koor, tot aan de gewelfbogen, met marmer en gemarmerd hout. Dit bijvoegsel wordt thans geweerd, zoodat de gansche kerk weldra weer zal pralen in hare oorspronkelijke strenge schoonheid.

De kerk van Sint-Michiel, plechtig gewijd den 18 Mei 1611 en vóor korte jaren kunstig hersteld door Bethune, is een bezoek overwaard. Hier rust het wonderdadig beeld van O.-L.-Vrouw van Groeninge, herkomstig uit de abdij van dien naam.

Op het einde der XVIIIe eeuw brandden de Jacobijnen in deze kerk wierook voor de godin der Rede. Uit dien hoofde prijkt, bij het altaar van O.-L.-Vrouw, het gedenkteeken van den Boerenkrijg, onthuld den 9 October 1898. Het draagt de namen van een en dertig gekende martelaars der vaderlandsche zaak: Jan Bouderez, Jan Verschaeve, Willem Vasure, Jan Maelfait, Willem Bourgois, Michiel Bonekaert, Jan van de Putte, Pieter Willein, Jan de Smedt, Pieter de Wulf, Jacob Verscheure, Fideel Kinds, Jan Braems, Pieter Berlamont, Jacob Verschaete, Jan Folens, Jan de Waele, Jacob Wallays, Pieter Albrecht, Jan Noppe, Willem Buyse, Lodewijk Missiaen, Pieter Baeckelandt, Lodewijk de Waele, Jozef de Vos, Frans Messeine, Jan Carlier, Augustijn Vroman, Jan Vroman, Frans van den Bulcke en Maria-Magdalena Schaede.

De parochiale kerken, aan Sint-Rochus en Sint-Elooi toegewijd, zijn nieuw, de eerste van 1863, de tweede van 1882.

Een der schilderachtigste hoekjes van Kortrijk is het Begijnhof, bij Sint-Martenskerk. Door den band zijn al de begijnhoven stille, gemoedelijke plaatsen te midden der woelige steden. Het Kortrijksch hof boeit ongemeen den bezoeker door zijne netheid, door zijnen vriendelijken eenvoud, door zijne ligging.

De kapel, fraai hersteld en versierd, is van 1464. Het huis der Grootjufvrouw heeft een lief geveltje.

Kortrijk schonk het leven aan vele beroemde mannen: aan Jan David (1545-1613), den geleerden kamper tegen de Geuzen; — aan Jan Palfyn (1650-1730), den grooten ontleedkundige, uit onbemiddelde ouders gesproten; — aan Jan-Baptist Hofman (1758-1835), door van Duyse Vlaanderens «meistersinger» geheeten; — aan Jacob Goethals (1759-1838), eenen werkzamen kroniekschrijver, die heel zijne bibliotheek aan de stad schonk; — aan Ferdinand Snellaert (1809-1872), eenen geleerden taalvorscher en verstandigen werker voor de volkszaak.

Als schilders noemen wij Pieter Vlerick (1539-1581); — Bernaard de Ryckere, overleden te Antwerpen den 1 Januari 1590; — Roeland Savery (1576-1639); — Jan de Jonghe (1785-1844) en Lodewijk Robbe (1807-1887).

Jacob van de Walle, geboren in 1599 en overleden in 1690, was een van de vermaardste Latijnsche dichters van zijnen tijd. Hendrik Beyaert, geboren den 29 Juli 1823, bouwde het hotel der nationale Bank, te Brussel; de Spoorhalle, te Doornik; het nieuw Krijgshospitaal, te Brugge.

Kortrijk bezit eene menigte inrichtingen van onderwijs: verscheidene lagere scholen, zoo voor jongens als voor meisjes; een beschermd college, dat zich alle jaren in de wedstrijden onderscheidt; eene middelbare school van den Staat; eene school voor weesjongens, dagteekenende van 1562; een dergelijk gesticht voor weesmeisjes; eene academie van teeken- en bouwkunde; eene nijverheidschool; eene beroepschool; eene muziekschool; verscheidene openbare bibliotheken; een museüm van oudheden en een museüm van schilder- en beeldhouwwerken.

Meer dan eene maatschappij beoefent den zang, het tooneel of de letterkunde. De oudste vereeniging is zeker de oude broederschap «van den heleghen Cruce ons Heeren,» erkend door de wethouders in 1514 «als een gulde van rethorijcke.»

Het aloude Sint-Jorisgilde en de nering der arbeiders of pijnders hebben eveneens den storm der Fransche omwenteling overleefd. In het huidig lokaal der voetboogschutters, bij de Doornikpoort, bewaart men het Edelbouck der guldebroeders, op perkament, alsmede bogen, «paruren» of kleederen en eenen halsband met 59 schakels.

Onder de openbare plaatsen zullen wij noemen: de Gulden-Sporenplaats, vóor de spoorhalle, versierd met een hofje; — de Groote Markt, met het oude Belfort en het marmeren standbeeld van Mgr de Haerne; — de Esplanade, beplant met struiken, heesters en boomen; — de Wapenplaats, in de nabijheid van het Gerechtshof; — de Casinoplaats, vóor het gevang, ook beplant met weelderige platanen; — de Groeningelaan, eene lieve wandelplaals met olmen, grasen bloemperken. Breede lanen omringen gansch de stad. In de Palfynstraat, in de Doornikstraat, in de Hallestraat, in de Sint-Jorisstraat, op de Havermarkt, in de IJzeren-Wegstraat, rond de Markt en de Gulden-Sporenplaats groeien en bloeien kleine acacia's. Wij overdrijven niet, als wij zeggen, dat Kortrijk in de laalste jaren eene der vriendelijkste sleden van België is geworden.

Die kostenlose Leseprobe ist beendet.

€1,99

Genres und Tags

Altersbeschränkung:
0+
Veröffentlichungsdatum auf Litres:
16 Januar 2025
Umfang:
122 S. 5 Illustrationen
ISBN:
4064066311605
Verleger:
Rechteinhaber:
Bookwire
Download-Format: