Buch lesen: "Uit den Kunstschat der Bakongos"

Schriftart:

Ivo Struyf

Uit den Kunstschat der Bakongos


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404550

Inhoudsopgave

Inleiding

FABELS

De Pad en de Wouw

De Kameleon en de Muis

De Muis

De Palmboommuis en de Krabbe

De reizende Mieren en de kleine Mieren

De Krab met haren platten rug

De Hond die den Egel misprijst

De Patrijs en de Papegaai

De Paling en het Water

De Rat en de Gazelle

De Pad en de Patrijs

De Gazelle en de Luipaard

De Gazelle die veel verstand heeft

Looze streek van de Gazelle

De Gazelle die leeft

Wraak van de Gazelle

Bedrog van de Gazelle

De bedrogen Luipaard

De wraak van de Gazelle

APOLOGEN

Heer Fungwa

Verhaal van den Palmwijntrekker

Kongoniense en Kongopatakasa

De Verstandige Zot

De verloren kruik

De wraak van Mpingia

Nkumina

Nkenge’s Vlucht

KOMISCHE VERHALEN

De Zot met het Rolleken

De twee Broeders

De Zot en het Tooverbeeld

De Zot en de Doornen

De Zot en de Waternimf

De Bambata en de Kikvorsch

NOVELLEN

Zwina

De gebroken Poederdoos

Moni Mambu

Na Makumba

MYTHISCHE VERHALEN

Nkenge en Kiteba

De geesten en de hondenkweeker

Ngangu zinkono en Ngangu zizala

De nijdige Moeder

Een Geestenverhaal

De Muizenvanger

Een Redetwist

Bijgeloof

De Vrouw en de Tabakrooker

Een Toovermiddel

HISTORISCHE VERHALEN

Oorlogswraak

Een Oorlogsverklaring

Verhaal van Oorlog

Oorlogslisten

Het Lied der Ouden

Na Nsesa en zijn Neef

DIDACTISCHE VERHALEN

De Melaatsche en de gierige Vrouw

De Man in den Stampersblok

De Sprinkhaan en de Gazelle

De Hak en de Parels

De Gierige Vrouw en de Maniok

Na Moni Mambu

Een Vergiftiging

Verhaal van Nijd

GEBRUIKEN en LEVENSWIJZE

I. KONGOLEESCH WERK

Het Verbranden van ’t hooge Gras

De Maniokplanterijen in ’t Bosch

De Maniokplanterijen in ’t hooge Gras

Het Plukken van den Caoutchouc

Het Palmwijntrekken

Opening eener Markt

II. KONGOLEESCHE PLECHTIGHEDEN

Een Kongoleesch Huwelijk

Het Naamgeven

Een Lijkfeest

III. TOOVENAARS en TOOVERMIDDELS

Toovermiddel voor Hoofdpijn

Toovermiddel voor Longontsteking

Toovermiddel voor Verstopping

Toovermiddel voor Oorziekte

Toovermiddel voor Tandpijn

Toovermiddel voor de Vallende Ziekte

Het Aanleeren van een Toovermiddel

IV. SPELEN

De negen Aardnoten

De kleine Mier die de Trommel slaat

Spel van Bila-bila

Het Zio Spel

Het Oplossen van Raadsels

V. GEZANGEN

I.

Nkunga u Vwoka

I.

Lied over de verlaten Dorpen

II.

Nkunga u Bula-Matari

II.

Lied over den Staat

III.

Nkunga u Bieya

III.

Spotlied

IV.

Nkunga u Bieya

IV.

Spotlied

V.

Nkunga u Mbembo

V.

Doodenzang

VI.

Nkunga u Nganga-nkisi

VI.

Lied van den Toovenaar

VII.

Nkunga u Nsaka

VII.

Lied onder ’t Spel

VIII.

Nkunga u Bidilu

VIII.

Treurlied

IX.

Nkunga

IX.

Lied

Inleiding

Inhoudsopgave

Gedurende mijn verblijf in onze Kwango-missie heb ik de gelegenheid gehad omtrent driehonderd onder de negers verspreide vertellingen te verzamelen, waarvan ik er hier een honderdtal uitgeef.

Over het belang van een dergelijke verzameling hoef ik niet lang uit te weiden.

Zij is immers een rijke bron voor een grondige kennis van de zeden, gewoonten, gebruiken, godsdienstige en maatschappelijke begrippen, bij een volk, dat ons meer dan eenig ander aan het hart moet liggen. Die bron is veilig en zeker: zij borrelt op uit den grond zelf, zonder door vreemde kanalen geleid, of, zooals dit te dikwijls gebeurt, misleid te worden; haar autochtoon karakter vrijwaart ze tegen alle vervalsching. Willen wij de Kongoleezen kennen—en zoo België eenmaal Kongo overneemt, dan wordt het onze plicht niets te verwaarloozen om zijne bewoners met hun eigen aard en gebruiken zoo goed mogelijk te leeren begrijpen—dan kunnen wij door niets beter daartoe geholpen worden, dan door hunne, wat ik noemen mag, literatuur, die toch de weerspiegeling van hunne beschaving is.

Hebben de onder ons volk nog bekende vertelsels reeds zooveel aantrekkelijkheid voor den folklorist, dan zal onze verzameling, die meer dan eenvoudige vertelsels bevat, hem zeker wel belang kunnen inboezemen. [X]

Maar ook de letterkundige zal er in mogen grasduinen. Ik weet niet of ik mij zelven bedrieg; of ik, door te groote sympathie voor dit volk, dat aan onze herderszorg is toevertrouwd, te zeer ben ingenomen geraakt met alles wat uitgaat van hen. Maar ik meen dat deze vertellingen, zelfs als kunstproducten, het peil van het alledaagsche ver te boven gaan.

Zeker, niet alle zijn even schoon. Maar toch, hoe aanschouwelijk zijn de meeste! Welke fijne opmerkingsgave blijkt niet uit al de trekken van hunne beschrijvingen! Welke gezonde humor! Vooral, welk frisch en machtig natuurgevoel! Dit is nu primitieve kunst, die ook de eenvoudigste jongen uit het volk kan begrijpen en smaken.

De man van de wetenschap zal ze mede kunnen bestudeeren met het oog op het ontstaan van de verschillende dichtsoorten en op de vergelijkende literatuur. Zou zelfs het nut dezer vertellingen, die sedert eeuwen van geslacht tot geslacht worden overgeleverd, niet verder reiken? Zouden ze geen aardig licht kunnen werpen op de geschiedenis der kongoleesche volksstammen, op hunne verwantschap onderling en zelfs met verwijderde volkeren?

Ik moet echter bekennen, dat ik hier niet op de eerste plaats een wetenschappelijk werk heb bedoeld; maar slechts een grondslag voor verdere wetenschappelijke studie. Daarom zie ik af van allerlei vraagstukken, die anders in een Inleiding dienden behandeld, en nl. over den oorsprong en den ouderdom van deze verhalen. Ik laat alleen de allernoodzakelijkste toelichtingen volgen.

Enkele woorden vooreerst over het ontstaan van deze verzameling.

Al deze verhalen werden opgeteekend bij de Bakongos, [XI]zooals het staat in den titel: Uit den kunstschat der Bakongos.

De Bakongos zijn een dier volksstammen, die tot de groote Bantoefamilie behooren1.

De Bakongos, dat wil zeggen: de menschen van Kongo, en niet, zooals men gewoonlijk denkt en schrijft, de menschen van Neder-Kongo (Bas-Congo), bewonen de streek, waaraan de Blanken, door het prefix Ba misleid, den naam gegeven hebben van Neder-Kongo.

Van Matadi tot Leopoldville, langs beide kanten van den ijzeren spoorweg; van den Kongostroom tot aan de Portugeesche bezittingen, leeft deze volksstam.

Vóór lange jaren, hoeveel, dat is lastig vast te stellen, was Neder-Kongo bevolkt door dwergen. Het waren menscheneters, Ba Mindie bantu. Andere namen droegen zij nog, zooals Banzonguna, Ba Mimbulumukina.

Die eerste bezitters van den grond, die menscheneters, werden uit hun land verdreven door de Bakongos, die uit den Portugeeschen Kongo vertrokken waren, en met pak en zak de streek kwamen binnengedrongen.

De hedendaagsche bewoners zijn dus afkomstig van den Portugeeschen Kongo.

Hiervan enkele bewijzen. Wanneer zij hunne dooden begraven, zoo delven zij het graf in dezer wijze, dat het lijk in den put daalt, met de oogen gericht naar den Portugeeschen Kongo; want zoo zeggen zij: Daar stond de wieg onzer voorvaders. Wij allen, wij zijn gesproten uit ééne moeder.

Een ander bewijs ligt hierin dat de namen van de heiligen, die de heidenen, zoowel mannen als vrouwen, dragen, bijna alle Portugeesche namen zijn. [XII]

Hun verdere afkomst is weinig bekend.

De taal door de Bakongos gesproken heet Kikongo, nauw verwant met de andere talen van de Bantoe-stammen. Zij is zeer welluidend en klankrijk.

Ik heb deze verhalen in ’t kongoleesch opgeteekend uit den mond van heidenen en volwassen christenen zelf. Aanvankelijk ging het niet gemakkelijk om die lui aan den praat te krijgen. Zelfs was het een kleine oproer soms: sommigen waren boos tegen degenen die mij hun verhalen hadden «verklikt.» Maar door een of andere lekkernij, zooals b.v. zout of tabak, waarop de zwarten verslingerd zijn, wist ik ze toch op dreef te brengen. Zelfs begon allengskens eigenliefde haar werk te doen: en om strijd wilde nu ieder zijn beste vertelsel mededeelen. Terwijl zij verhaalden schreef ik alles neer. En om mij wel te verzekeren dat de overlevering aldus trouw was bewaard, nam ik elke gelegenheid te baat om ook uit den mond van anderen dezelfde verhalen meermaals te hooren: ik liet vertellen, terwijl ik op mijn schrijfboek volgde. Zoo heb ik me kunnen overtuigen hoe gestereotypeerd die overlevering is.

Want deze verhalen worden aldus, woord voor woord bijna, van geslacht tot geslacht overgeleverd. Sommige zijn over uitgestrekte gebieden verspreid; andere slechts in meer beperkte bekend. Daarom heb ik bij elk verhaal, ook den naam en de streek opgenomen van dengene, die het mij deed.

Al deze verhalen zijn bewaard in sterk gerythmeerd proza. Wat wij verzen noemen, is in Kongo alleen in de [XII]zangen, waarmee de verhalen meestal opgeluisterd worden, gebruikelijk.

Met honderden kennen de negers er. En dit valt niet te verwonderen; hun geheugen wordt van jongs af daarin geoefend (geschrift hebben ze niet); en hun geheugen is ook, natuurlijk, in dit opzicht althans, veel sterker dan het onze.

Wanneer en hoe worden ze verhaald?

’s Avonds om het haardvuur, bij het werk, op reis, enz.

Op mijn reizen om onze kapelhoeven te bezichtigen, zat ik soms in den helderen maneschijn de zuivere avondlucht in te ademen. Sommige van de kinderen dansten daar in ’t ronde, met trommelslag en handgeklap. Anderen zaten neer en vertelden onder elkander uit hunne dorpen. Zoo b.v. op zekeren avond waren onze dragers, heidenen en christenen te gelijk, om een fel vuurke gezeten. Een onder hen verhaalde een geschiedenis uit vroeger tijd. De kinderen hingen aan zijn lippen: met talrijke gebaren deed hij alles na. Kwam er, zooals dit dikwijls het geval is, een zang in zijn verhaal, dan hief hij dien zelf aan: daarna zongen allen te zamen mee. Van tijd tot tijd ook onderbraken zij hem om hem gelijk te geven en in de handen te klappen. Soms kondigde een of ander aan wat er gebeuren ging. Anderen, met hun inheemsche muziek in de handen (kisansi: klein speeltuig, waaruit ze vreemd-schoone noten weten te trekken) luisterden en speelden te gelijk.

Op een anderen dag hoorde ik een verhaal opzeggen, maar heel rap; van tijd tot tijd herhaalden de toehoorders eenige woorden te zamen. B.v.: de zon was ondergegaan—en allen: de zon was ondergegaan. En na die herhaling ging het weer voort. [XIV]

Ook bij het werk verhalen ze dikwijls wat ze van hunne «ouden» hebben gehoord. Dan is ’t van tijd tot tijd, wanneer er een zang in voorkomt, een roepen en tieren en gezamenlijk zingen, dat we ons moeilijk kunnen voorstellen. ’t Is echter gewoonlijk des avonds dat de Kongoleezen hunne sproken ophalen. De kleine kinderen zijn daarbij tegenwoordig. Zelfs bij de geschillen, die onder de opperhoofden te vereffenen zijn, ontbreken ze niet: ze staan daar bij en luisteren toe.

Al deze verhalen worden zeer natuurlijk voorgedragen. Onze negers zijn meesters in ’t vak. Vóór twee jaren heb ik een heel spel Jozef in Dothan in ’t kongoleesch vertaald: onze leerlingen hebben het wonderwel vertolkt op een groot tooneel in open lucht. Al de gezangen waren melodieën van heidensche dansen, waarop wij andere woorden hadden gezet. Het slaagde opperbest.

Reeds vier kleine bundels vertellingen en fabels heb ik in de Kikongo-taal uitgegeven. Gedrukt in onze drukkerij te Kisantu dienen ze als leesboek voor onze jongens in al de scholen, die wij in de verschillende posten hebben opgericht.

Vroeger reeds had P. Butaye een bundeltje spreekwoorden, die onder de negers zeer verspreid zijn, uitgegeven. Ik heb getracht dien kleinen schat te vergrooten. Nog mogen we wijzen op ons maandschrift Ntetembo eto «Onze Ster», in echte Kikongo-taal opgesteld. Sedert twee jaren verschijnt daarin, bijna iedere maand, een verhaal over hunne spelen, door negers zelf geschreven.

Het was een lastige taak een behoorlijke indeeling van deze vertellingen te vinden. Geen enkele kon me geheel [XV]voldoen. Degene, waarbij ik het ten slotte gelaten heb, moet niet als uitsluitend worden opgevat. Onder welke verdeeling een verhaal werd opgenomen, besliste telkens de hoofdstrekking alleen; zoodat men b.v. onder mythische verhalen er ook wel zal aantreffen van eenigszins fabelachtigen aard; enz.

Het eerste deel van dit werk bevat verhalen, die eene meer letterkundige strekking vertoonen. Het zijn Fabels, Apologen, Komische verhalen, Novellen. Het verschil tusschen Fabels en Apologen bestaat hierin, dat de Apologen menschen en dieren te zamen laten optreden, en dat ze duidelijker met een zedelijk doel geschreven zijn. Onder de Komische verhalen heb ik bijeen gebracht de beste stukken, waarin de humor der negers zich uit: die valt gewoonlijk ten laste van «Heer Zot».

De rubriek «Novellen» mocht een toevluchtsoord schijnen voor alle vertellingen waarmee ik niet heel goed over de baan kon. Toch meen ik, dat de stukken, daaronder uitgegeven, wel dien naam mogen dragen.

Het tweede deel werd ingericht met een praktischer doel. Het bevat: Mythische verhalen; verhalen namelijk die ons inlichten over de opvatting van het Opperwezen en van de geestenwereld bij de negers; Historische verhalen: die aan feiten uit de geschiedenis van hun volksstam schijnen te herinneren; Didactische verhalen, waardoor de ouders allerlei voorschriften bij hunne kinderen trachten aan te leeren; eindelijk, verhalen over de geheele levenswijze in ’t dagelijksch verkeer onder de negers.

Men neme ze dus zooals ze zijn: echt kongoleesche verhalen. Hun «goût de terroir» zal ze misschien des te smakelijker maken. [1]

1 Bantoe beteekent menschen.↑

FABELS

Inhoudsopgave

[3]

[Inhoud]

De Pad en de Wouw

Inhoudsopgave

Moeder Pad had schuld doen eten1 aan Meester Wouw. Hij wilde niet betalen. Hij aan ’t wandelen en wandelen, hij was in ’t dorp niet te zien.

Moeder Pad, toen zij ging om ’t geld te vragen, hij, Meester Wouw, vond verstand; hij was er niet. «Overmorgen en overmorgen» deed hij altijd zeggen.

Maar Moeder Pad, toen zij gedaan had met haar hart2, ging haar verstand uitdenken, hoe zij Meester Wouw kon tegenkomen. Dicht bij het dorp van Moeder Pad, langs de rivier, was er een verlaten land; ’t was het droog seizoen3; ’t gras was droog. Moeder Pad had ’t land in brand gestoken. ’t Vuur was gedaan; zij ging zitten op een kleine hoogte kleigrond; haar witte borst blonk naar omhoog.

Meester Wouw, toen hij den rook van ’t vuur gezien had, kwam zwieren in de lucht, om te zien of er geen muizen wegliepen op dat land. En hij wandelde, hij wandelde; hij vond iets dat daar blonk op den kleigrond; hij kwam met de vleugels slaan en hij dacht: Dat is een muis! [4]

Meester Wouw viel beneden, greep op wat daar blonk, legde het in zijn weitasch, droeg het naar boven, en hij zag niet dat het de Pad was.

’s Avonds toen hij terugtrok naar zijn dorp, kwam Meester Wouw met zijn muizen te huis, begon te tellen de muizen van ’t jagen. De muizen, toen hij ze uitdeed, ze uitdeed, daar Moeder Pad ’n sprong: He, Meester Wouw, hier ben ik, ik ben gekomen om mijn geld te ontvangen.

Meester Wouw was verwonderd en verwonderd, was beschaamd. Hij ging geld halen in zijn geheimkamer, dat hij telde aan Moeder Pad: He, mijn vriendin, neem uw geld, ’t is gepast! Maar hoe gaat gij terug naar uw dorp? Gij, ik zal u niet voor niet dragen.

Moeder Pad, alzoo: Mijn geld heb ik genomen. Indien ik u geen strikken had gespannen, ’t geld, ik had het zeker niet gehad. Ik weet mijn wegen om langs ’t veld terug te gaan.

Meester Wouw wist ’t verstand van Moeder Pad niet. ’s Nachts, toen hij ging slapen, liet hij zijn weitasch hangen aan de deur van ’t huis dicht bij den grond. Moeder Pad, toen zij de weitasch zag, ’n sprong er in.

’s Morgens, toen de zon opgekomen was, Meester Wouw nam de weitasch, ging wandelen. Maar dien dag, ’t was heel warm en heet. Hij ging de rivier in, om een bad te nemen.

Moeder Pad kwam er uit, terwijl zij zegde: He, mijn vriend, ik ben er voor niet. Waar de voeten te klein zijn, de geest is niet te klein.

Kimpako. [5]

1 Schuld doen eten = geld leenen.↑

2 Zij had gedaan met haar hart = zij had er genoeg van.↑

3 In ’t droog seizoen steken de negers het gras in brand. Boven ’t vuur komen de roofvogels zwieren om muizen te vangen.↑

[Inhoud]

De Kameleon en de Muis1

Inhoudsopgave

De Kameleon en de Muis waren in twist. De Muis, toen zij den Kameleon uitdaagde, alzoo: Gij en ik, als wij gaan naar de markt, zoudt gij er rapper kunnen aankomen dan ik? Haast is met mij. Veel slepen is met u. Gij kunt er niet geraken.

De Kameleon antwoordde zoo: Ik kan wedden, laat ons wedden. Ik kom de eerste op den Nsona2.

De Muis alzoo: Wel, laat ons wedden. Ik ben gewonnen.

De dag van den Nsona was aangebroken, de dag was schoon. Alsdan vereenigden de Muis en de Kameleon hun geld om naar den Nsona te gaan. Te zamen vertrokken zij uit ’t dorp. De Kameleon telde langzaam, en altijd door, door, door. Maar de Muis begon hard te loopen: hare pooten stak zij uit, al hare krachten had zij vergaderd; op den top van den weg was zij heel ver voor. De oogen kwamen haar uit, zij was buiten adem.

De Kameleon volgde van achter; langzaam, langzaam mat zij, zij had geen hoop verloren van te winnen.

En zij gingen, zij gingen, zij gingen. [6]

De Muis was in de nabijheid van de markt gekomen, ’s morgens, toen er nog geen menschen waren3. Maar in haar zotheid wist zij de markt niet; zij ging door in de wegen die van de markt komen; daar was zij aan ’t dwalen.

Terwijl zij aan ’t dwalen en dwalen was, de Kameleon kwam op den Nsona; de menschen waren er vergaderd; zij zat neer, kocht hare zaken; zij bleef wachten naar haar, de Muis, of zij niet aankwam.

De markt was uiteengegaan. De Kameleon, zij alleen, bleef zitten. De Muis was aan ’t dwalen en dwalen. ’t Was noen geworden. Op de markt was zij niet te zien. Eindelijk kwam zij aan.

De Muis kwam op de markt aangeloopen, wijl zij uitriep tot den Kameleon: He, vriendin, groote pijn, groote pijn, ik zag de markt niet.

De Kameleon toonde hare zaken en zij was gewonnen.

Kisantu. [7]

1 Letterlijk Moeder Kameleon en Moeder Muis.↑

2 Nsona, vierde dag van de kongoleesche week, en ook de naam van de markt, die op dien dag valt.↑

3 ’s Morgens vroeg zijn er nog geen menschen op de markt te zien. Daarom kon de Muis de markt niet vinden.↑

[Inhoud]

€1,99

Genres und Tags

Altersbeschränkung:
0+
Veröffentlichungsdatum auf Litres:
17 Januar 2025
Umfang:
260 S. 1 Illustration
ISBN:
4064066404550
Verleger:
Rechteinhaber:
Bookwire
Download-Format:

Ähnliche Bücher