Buch lesen: "De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur"
E. D'Oliveira
De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur
Tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066062323
Inhoudsopgave
"DE JONGERE GENERATIE"
TER INLEIDING
JOHAN DE MEESTER
KAREL VAN DE WOESTIJNE
JOSINE A. SIMONS-MEES
CYRIEL BUYSSE
FRANS BASTIAANSE
HERMAN ROBBERS
IS. QUERIDO
CAREL SCHARTEN
ADAMA VAN SCHELTEMA
P.N. VAN EIJCK
BIERENS DE HAAN
"DE JONGERE GENERATIE"
Inhoudsopgave
door
E. D'OLIVEIRA
(VERVOLG OP "DE MANNEN VAN '80")
GESPREKKEN MET VERTEGENWOORDIGERS VAN DE NIEUWERE RICHTING IN ONZE LITERATUUR; TEVENS EEN ENQUÊTE NAAR ENKELE BEGINSELEN IN ONS NATIONAAL GEESTELIJK LEVEN
GEÏLLUSTREERD
[Illustratie: LOUIS COUPERUS]
TER INLEIDING
Inhoudsopgave
Toen ik den tweeden druk van mijn "Mannen van Tachtig" de wereld in zond, hoopte ik, in de hier volgende bladzijden een samenvatting te kunnen geven van hetgeen mijn onderzoek naar sommige beginselen van onze nieuwere literatuur mij had opgeleverd. Helaas, het gaat niet! De medewerking van enkele representatieve personen, met name van Mevrouw Henriëtte Roland Holst en van Herman Gorter, werd mij onthouden.
Ik zal hier niet beoordeelen in hoeverre hun weigering gemotiveerd is tegenover de algemeen erkende objectiviteit, die ik bij het weergeven van hetgeen anderen mij wilden mededeelen heb betracht, tegenover de onpartijdigheid die bovendien uit den geheelen opzet van mijn werk logisch volgt en—tegenover de opoffering van … persoonlijke gevoeligheden welke anderen (en geen mindere goden!) zich hebben getroost, toen ze mij te woord stonden. Ik berust. Zelfs in het verbod van Gorter om—wie had 't ooit gedacht!—de redenen van zijn afwijzende beschikking te vermelden.
Daar echter de socialistische kunstenaars van deze school een belangrijke functie vervullen in het schema van ons geestelijk leven dat mij voor den geest zweeft, ontbreken mij de gegevens om, althans op grond van dit boek, de ontworpen samenvatting uit te werken. O ja, ik hoor 't al, uit hun oeuvre is voor mijn doel heel veel op te maken, doch, zooals de lezer uit de inleiding van "De Mannen van '80" weet, daar was het mij in dit geval niet om te doen. Men zal mij echter niet het gebruikelijke verwijt kunnen maken, dat ik deze richting in onze literatuur heb willen negeeren. Integendeel, veel van wat ik zoek groepeert zich om die richting—al schat ik in dit geval de persoonlijkheden—wèl te onderscheiden van de individueele hebbelijkheidjes—hooger dan de school.[1] Misschien was ik verder gekomen als ik dit niet had gezegd, maar het toch had gedaan.
Intusschen, de lezer, die, behalve een inleiding in het geestesleven en de gemoedshouding van de hier behandelde auteurs, ook een blik op het geheel zoekt, behoeft dit werkje niet teleurgesteld opzij te leggen.
Het zal hem weldra duidelijk worden, dat er eenig verschil is tusschen deze "interviews" (sit venia verbo!) en de oudste opstellen in "De Mannen van '80". Wel heb ik mijzelf ook nù op den achtergrond gehouden, al heb ik mijn persoonlijke indrukken hier en daar met een lichteren en slechts in schijn oneerbiedigen toets neergezet. Maar ik heb, waar dit pas gaf, mijn vragen en de verkregen antwoorden in onderling verband beredeneerd, scherper dan voorheen gezegd: waarom ik een bepaald antwoord onvoldoende achtte en in een bepaalde richting heb voortgestuurd. En zoo zal het den opmerkzamen lezer—vlei ik mij—tòch wel duidelijk worden, welke meening ik mij in den loop van het onderzoek over personen, temperamenten, richtingen, heb gevormd.
Echter zou ik mijn taak niet volbracht achten, indien ik hier niet kortelijk aanduidde, over welke hoofdpunten de meeste gesprekken loopen en bovendien: wat er vaak nog uit halve en ontwijkende antwoorden is te "halen"; in het algemeen, hoe men naar mijn inzicht de antwoorden heeft te lezen.
Wat het eerste betreft, de uiteenzetting van persoonlijke omstandigheden, waarmede de meeste schrijvers hun verhaal aanvangen, is een antwoord op de vraag: hoe en wanneer hun bewust werd dat zij eens als taalkunstenaar, dat is als leidsman, zouden optreden.
Dit is een moment van groote psychologische beteekenis: Weet de representatieve persoonlijkheid reeds in zijn eerste jeugd dat hij publicist (in hoogeren zin) zal worden? Wat is in hem primair: een zekere wereldkijk, een bepaalde overtuiging die tot uiting dringt; of wel: een min of meer onbepaald vormgevend, dat is poëtisch vermogen, dat naar een inhoud smacht? Op welke wijze hebben zich Idee en Kunstenaars- aanleg in zijn latere ontwikkeling verstaan? Zijn ze harmonisch versmolten? Trachten ze nog steeds naar een ontmoeting? Stooten ze elkander af? Heeft de een den ander aan zich ondergeschikt gemaakt?—deze elementen (de lezer voelt het) zijn beslissend voor den aard van zijn werk, voor de mindere of meerdere mate waarin hij een eigen stijl zal bereiken en den algemeenen stijl van zijn volk zal leiden.
Naast deze vraag van algemeene strekking—en ook in verband met haar—is voor ons doel van belang de speciale vraag: In hoeverre onze schrijvers beïnvloed zijn door de beweging van '80, die, van huis-uit een cultuur- verschijnsel meer dan een literatuur-verschijnsel, voor ons nationaal geestelijk leven het begin is geweest van een nieuwe strooming, die wel eens op iets groots zou kunnen uitloopen—dat dan echter niet veel op zijn verwekker zal gelijken.
Hierbij sluit zich direct aan de vraag: hoe men deze beweging definieert. Slechts zij, die in de tijden van twijfel aan hunne blinde gemoedsdrangen den tragen maar veiligen gids van de wijsgeerige scholing hebben toegevoegd, zullen hierop een afdoend antwoord gereed hebben. Hebben zij ook wellicht in de halle van 1880 op menig kronkelpad gedrenteld en gedwaald, zij verlaten haar met opgeheven hoofde door de poort, waardoor zij haar gebukt of wankelend of in een roes voor het eerst betraden.
Hierop volgt dan de vraag, of men een eigenlijke levensovertuiging uit de literatuur van '80 heeft kunnen putten en welke levenshouding men daarna heeft veroverd. Hoe staat men tegenover de leuzen van de socialistische kunst, die een tijdlang zoovelen in principe of in feite hebben bekoord—totdat de practijk van den politieken strijd kentering en afscheiding bracht?
Deze vraag lost zich op in eene, die ik van wijder strekking acht (en natuurlijk weet ik, dat velen dit niet met mij eens zijn), nl. deze: Is de tot levensleer-vertolker uitgegroeide taalkunstenaar in wezen een voorganger van zijn volk? (Afgezien dus van klasseverhoudingen.) En zoo ja, is het dan niet zijn taak, zijn persoonlijkheid vrij te manifesteeren en al wat hij in kunst geeft te bezielen met zijn hoogere zelf-kennis —welke wereld-inzicht werd, van het oogenblik dat hij had doorschouwd de duistre drangen zijns gemoeds—éven onbetrouwbaar en aanmatigend, even onbewust en beweeglijk als De Massa? Of: moet hij zijn persoonlijkheid "overwinnen" en de gevoelens van de massa vertolken? Of: kan hij meenen dat zijn intiemste innerlijkheid in de belijdenis van het proletariaat bevestiging en volmaking vindt? Of: wenscht hij zijn persoonlijkheid—alsdan voor de verandering "persoonlijk gedoe", oftewel "ik-heidje" gedoopt—te offeren om de massa tot zijne hoogte langs wegen van strijd op te voeren;—in het midden latend of hij geroepen is om de menschheid door rustige ontwikkeling van zijn Ik ook grootere diensten te bewijzen? En, als hij dan klasse-kunst wil geven, miskent hij daarmede niet de mystieke banden, die hem aan taal en oude cultuur van zijn volk binden? om van een proletariaat dat—helaas—nog nauwelijks wat geleende cultuur bezit een "nieuwe philosophie" te leeren? Of gunt hij de massa gaarne alle goeds en draagt daartoe, waar hij mag, vol vreugde het zijne bij (maar het mag niet vaak) tegelijkertijd beseffend dat de ethisch nog verre van bewuste massa (op haar best) onmogelijk de draagster kan zijn van de wijsheid der toekomst? Of gelooft hij, ten slotte, dat Kunst en Massa elkander niet verdragen, en elk een eigen weg hebben te zoeken?
Ziehier dan de themata, welke in velerlei nuanceering door deze gesprekken loopen. Ziehier de vragen, die door sommigen volgaarne beantwoord, door anderen ontweken werden. In het laatste geval maken de pogingen van den ondervrager om, binnen de grenzen der beleefdheid, maar een enkel maal met een zorgvuldig beraamde psychologische kunstgreep "het slachtoffer" in zijn baan te brengen, een element van spanning in deze opstellen uit. Overigens is de practische levenswijsheid, dat men altijd veel plaats moet laten voor het onvoorziene, voor "le grand imprévu", hier gaarne toegepast.
Maar zelfs indien ik in sommige quaesties niet of slechts ten deele slaagde, zijn de verkregen antwoorden van meer belang dan men oppervlakkig lezend zou vermoeden. Een glimlach, een gebaar, het tempo waarin een kwinkslag wordt voorgedragen zeggen hier en daar meer dan woorden zouden zeggen. Dit is de tweede hoofdzaak die ik wilde toelichten en ik zal dit doen aan de hand van een concreet voorbeeld, dat het toeval mij in handen speelde.
Louis Couperus, de meest on-Hollandsche Hollander die ooit bestaan heeft, naar men weet, had mij toegezegd, over mijn vragen van Florence, later van München uit, met mij te correspondeeren. Een "interview" per post, in de achttiende eeuw alledaagsch, in onzen tijd iets pikants. Ik legde hem, op zijn verzoek, mijn vragen voor. Ik geef 't toe, ze zijn niet malsch, en een overigens aller-charmantst beoordeelaar van mijn "Mannen van '80" heeft ze mij dan ook al cadeau gedaan, waarmede ik zeer was ingenomen. Couperus echter werd door ik weet niet welk on-Hollandsch spot-duiveltje gekitteld, en toen schreef hij mij een "Korte Arabeske", waaruit ik, met zijn toestemming, den lezer enkele brokjes zal toonen, nadat ik hem verwezen heb naar het portret met opdracht, aan het begin van dit boekje afgedrukt.
"Het is maar goed dat u mij niet in München is komen bezoeken,—vergeef mij, zoo u dit onhoffelijk klinkt, want waarlijk, ik zou aan uw vele, successievelijk te beantwoorden vragen ergens door een geheime deur zijn ontsnapt! Toch wil ik u nu, per brief, wel het een en ander zeggen, ook al lijkt mij een categorische antwoordenlijst op uw vragenlijst wel van meet aan uitgesloten."
Ik heb echter niet gezonden een "vragenlijst", maar een papier met eenige vragen er op, en een verzoek, dit te beschouwen als een leiddraad (het staat er nog eens met kapitale letters boven!)[2] Nog veel minder heb ik om een categorische antwoordenlijst gevraagd. Zelfs gezegd—ik ken u, o Couperus—dat ik met een antwoord op enkele vragen, of met korte aanduidingen al wat blij zou zijn. Conclusie: Overdreven zwaartillendheid waar het enkele streng-intellectueele formuleeringen geldt, echter door een kwinkslag bewimpeld.
Dat was de opgaande krabbel, waarmee de arabesk begint. Nu volgt een kronkelende neerhaal:
"Werkelijk, ik heb over de meeste dingen die u mij vraagt nooit nagedacht; eigenlijk denk ik nooit na en laat ik mij leven volgens mijn gevoelens, want ik geloof dat ik meer voel dan denk. Welnu, hoe zal ik dan hierover uitweiden? U vindt alles, wat misschien licht kan ontsteken over mijn persoonlijkheid, in mijn boeken, te meer omdat ik mij in die boeken eigenlijk geheel geef als ik ben en u dus, zoo u ze aandachtig leest, mijn eigen analyse daar vindt en dan in een kunstvoller en eigenaardiger wijze dan ik u nog zou kunnen geven, in brief of zelfs in interview.
"Ik zou u dus willen verzoeken, zoo u over mij schrijven wilt, lees mij over, want ik ben ijdel genoeg te denken, dat u mij reeds gelezen heeft."
Conclusie: Een zich laten drijven op gevoelens, als gewoonlijk slechts volgt op en de consequentie kan zijn van een mislukt trachten naar een wijsgeerige of psychologische levensbeschouwing. Tien tegen een, of de schrijver denkt, terwijl hij dit neerschrijft, reeds aan een definitieve wending in zijn levenslijn. En zoowaar, hier volgt nu de tweede ophaal van de arabesk, scherper, beslister, strakker dan de eerste:
"En vindt u dat overlezen een "mer à boire", dan zou ik u willen raden, begin met te lezen mijn feuilletons in het "Vaderland"—reeds in enkele bundels uitgegeven—en zoek daarna in mijn romans den auteur die er zich toch zoo weinig verbergt. Ik ben overtuigd dat u mij vinden zult."
De overgang "en vindt u dat overlezen een "mer à boire"" is onwezenlijk. Het komt aan op de onderscheiding, die hier gemaakt wordt, tusschen het oudere werk (hier aangeduid met het woordje "mij") en de feuilletons in "Het Vaderland", die hier en daar aan een doorloopend interview doen denken, en waar Couperus zich rechtstreeks geeft, terwijl hij zich in de romans alleen maar "niet verbergt". Conclusie: Hier is inderdaad de wending in de levenslijn die wij voelden aankomen.
En nu volgt de tweede neerhaal van de arabesk, een breed gelijnde boog, die aan den eersten neerhaal parallel en in een zachte krul, die het gehéel omslingert, verloopt.
"Wanneer u dezen arbeid te zwaar vindt voor het doel, een studie over mij te schrijven … wel, dan moet ik u antwoorden, dat wat ge van mij vergt nog veel zwaarder arbeid voor mij zou zijn en dat een antwoord op uw vragen mij wel mijn geheele overige leven zou kunnen bezighouden. U zult mij dus vergeven, dat ik u het werk opdraag, dat u mij zoudt willen opdragen, tevens overtuigd, dat, zoo u dien arbeid op u wilt nemen, veel eer tot uw doel zult geraken, het een en ander van mijn innerlijk en zelfs uiterlijk bestaan te weten te komen. En ik hoop hartelijk, dat u dit zeer ernstig bedoelde schrijven niet te veel als die eene geheime deur zult beschouwen."
Conclusie: De schrijver komt min of meer terug op zijn eerste verklaring. Hij vindt dat hij mij wel heeft beantwoord. Hij laat zich ook niet zoo uitsluitend op zijn gevoelens drijven, want hij weet nu al, dat de beantwoording van mijn vragen—waarover hij niet zou hebben nagedacht—zijn heele overige leven zou kunnen vullen (niet vervullen natuurlijk)—zooveel verschieten openen zich hem, enkel bij de onderstelling dat hij er over zou gàan denken. Hij zou dan een zwaarder taak op zich laden dan de ondervrager zou doen, dien hij om zijn schijnbaar wat mathematische denkwijze lichtelijk in 't ootje neemt. Derhalve: Op het zoeken naar een levensleer is gevolgd een bewust en moedwillig geborneerd zich opsluiten in eigen kring, waarbij echter een ononderbroken "Begriffsdichtung" in de tòch bestaande behoefte aan een geestelijk steunsel komt voorzien.
Had ik ongelijk, toen ik hier van een "Korte Arabeske" sprak? Is uit dit antwoord, dat, ik erken het, ik eerst mismoedigd in mijn la liet fladderen, niet veel te leeren dat bij lectuur van Couperus' werk als leid-hypothese zou kunnen dienen?
Kortom, al heb ik sommigen, die ik hoogelijk waardeer, niet kunnen bereiken—maar waartoe die lijdensgeschiedenissen hier opgehaald?—al weet ik ook heel goed, dat nòg wel enkele persoonlijkheden, maar dan meer op zichzelf staande figuren, voor opname in deze verzameling zijn aan te wijzen (waar is 't eind'?)—wanneer men dit boekje leest in den geest, dien ik boven heb ontvouwd, dan zal men niet alleen nader komen tot vertegenwoordigers van de voornaamste richtingen, maar ook onopzettelijk overzicht erlangen van de geschiedenis onzer nieuwere literatuur.
En ten slotte hoop ik dat de lezer met mij zal gevoelen en steeds beter zal gevoelen, dat de omgang met groote mannen en vrouwen, in zooverre als ze groot zijn, altijd vormend en bemoedigend werkt en niet zonder schâ kan worden ontbeerd. Het is dan ook mijn liefste wensch, dat mijn arbeid in handen moge komen van jongeren die in het leven hoûvast zoeken.
D'OLIVEIRA.
Hilversum, Oudejaarsavond 1913.
VOETNOTEN:
[1] De heer Heijermans heeft mij wèl te woord gestaan, maar toen een eerste fragment van het interview in "Den Gulden Winckel" was verschenen, uitte hij aan mijn adres eenige beschuldigingen, die mijn roep van ernstig onderzoeker en getrouw weergever te na kwamen. Een vriendelijk voorstel om over deze beschuldigingen het oordeel van een scheidsgerecht uit te lokken, beantwoordde hij met een epistel dat in cynische onheuschheid zijn wêerga zoekt. Hoewel H's klachten door den heer Simons zijn onderzocht en ongegrond bevonden, druk ik het interview niet af: 1° om te toonen dat ik geen kwade bedoelingen had; 2° omdat ik mijn boek, dat een hoog cultureel doel nastreeft, niet wil blootstellen aan verdere merkwaardigheden van den heer H., die weliswaar eventueel slechts op één hoofdstuk gemunt zouden zijn, maar onvermijdelijk het geheel zouden treffen.—De Ver. v. Letterk. heeft de zaak in handen.—
[2] Woordelijk hetzelfde stuk werd gezonden aan Carel Scharten. En wat zegt deze in den aanhef van zijn brief?
JOHAN DE MEESTER
Inhoudsopgave
[Illustratie: JOHAN DE MEESTER naar een krijtteekening van zijne dochter, Annie de Meester]
(* 6 FEB. 1860)
Hij is nu heelemaal niet zoo als ik hem mij had voorgesteld: Niet zwaar in zijn bewegingen, niet provinciaal in zijn kleeren, niet melancholiek, niet stroef. Het is een genot bij hem gast te zijn. Zijn Médoc wordt geuriger door de vriendelijkheid waarmede hij ze aanbiedt en de kwistigheid waarmede hij ze zelf geniet, en men kan zijn Henry Clay's niet weigeren, al rookt hij niet mee, want voordat ge dit laatste hebt begrepen, is hij, rad sprekend en druk gesticuleerend, al aan de pointe van een interessante gebeurtenis uit zijn rijke ondervinding. Hij is een geroutineerd gastheer, hij geeft onweêrstaanbaar leiding aan het gesprek. Ik ben gekomen om te luisteren en hij brengt me aan het praten over mijn beroepsbezigheden, over congressen die ik heb bijgewoond. Hij is in de conversatie nooit onverschillig toehoorder. Hij volgt mij zéér oplettend, en zijn vragen, langzaam, aarzelend begonnen,—dan eensklaps uitloopend in een meesleependen woordenvloed, kerven als het ware in het onderwerp, totdat zij het leven er van raken. Zijn stemgeluid doet niet aangenaam aan. Men merkt op, dat hij scherp, heesch spreekt, zich nu en dan al sprekend overspant, afbreekt met een droge kuch, een flinken slok drinkt om zijn keel los te maken. Maar men vergeet dit al spoedig, omdat men vol aandacht is voor het merkwaardige verschijnsel, dat hij in Hollandsche woorden Fransch spreekt, haastig, haastig, een gedachte omspelend met drie, vier zinnetjes die het maar zoo ongeveer doen, dan plots zich bedenkend en het buitengewoon nauwkeurig zeggend, met een Hollandsche Derbheit, die mij bijna te machtig zou worden, als ik er niet in voelde een aansturen op niets sparende oprechtheid. Hij denkt snel, hij denkt buitengewoon levendig, en als hij één gedachte uit laat, worden de andere ideeën, weer door nieuwe volgsters opgedrongen, ongeduldig, en hij komt krachten te kort om ze te formuleeren, zoo levendig en roerig als hij ze voelt. Dan neemt hij zijn toevlucht tot stopwoordjes: "Vreeselijk—heel erg—zoo verschrikkelijk," waarop hij langdurig steunt en drukt, om dán met een zétje over te springen op het woord dat hij eigenlijk bedoelt en dat daardoor in het spreken een ongewoon relief krijgt. Het kost hem moeite zich los te maken van een gedachtengang, die hem eenmaal heeft geboeid en ondanks zijn converseertalent kan een onderhoud met hem niet verloopen als een spel van korte vragen en vlotte, kernachtige antwoorden. Het deelt zich in enkele groote vakken in, zware, uitbundig daarheen geworpen woorden-massaas, door voorzichtige vraagjes van mij onderbroken.
Nadat hij mij had gedwongen minstens een half uur over mij zelf te spreken, een opzettelijke bescheidenheid van 'm, die mij echter menigen zweetdroppel gekost heeft, omdat ik vreesde nooit tot het onderwerp te zullen komen, verloste hij me uit de onzekerheid, door mij voor te gaan naar zijn kamer: "waar u dat lampje van Betlehem ziet branden". Maar zelfs dáár moest ik ten slotte hem met geweld de leiding ontnemen. Zijn zoon bracht hem toen "wat hij hem gezegd had" en dat bleek een flesch roode wijn te zijn. En bij die gelegenheid nam ik het besluit, niet te dulden dat er nu zou worden gesproken over wijnsoorten—alcohol— geheelonthouding—en dan verder in die richting, en vroeg hem zonder inleiding, onder welke levensomstandigheden hij was begonnen met schrijven en of hij zich daarmede een bepaald doel had gesteld.
Ja kijk, begon hij, ik heb niets van een dichter; ik ben een kerel die voor een dichter wil knielen, maar hetgeen er toen in mij gebeurde kunt u het best vergelijken met de wijze waarop het gedicht uit den dichter zou voortkomen: Ik kreeg behoefte om rekenschap te geven van wat mij was wedervaren, en dat heb ik vreeselijk jong gehad. Ik heb hier nog o.a. staan een ding met verzen, die ik gemaakt heb zoo tusschen mijn dertiende en vijftiende jaar, met Van Rappard, een vriend van mij, die jong gestorven is. Het beteekent natuurlijk niets, maar toen zat al in mij de behoefte om wat ik doorleefde uit te zeggen.
Dat zit ook zoo'n beetje in verband met de behoefte aan eenzaamheid die ik altijd gehad heb. Die Rappard was mijn eenige vriend in het groote dorp, waar we toen woonden. We zijn vrienden gebleven tot aan zijn dood. Hij was ook eenzaamachtig, net als ik, en we zaten maar altijd samen in zijn roeiboot.
In mijn kindschheid woonde ik in Harderwijk, waar mijn vader burgemeester was. We hadden er een heel groot huis; daar behoeft men in zoo'n stadje niet rijk voor te zijn. Het kamertje waar ik het liefste zat was het zoogenaamde knechtskamertje op de zolder. Daar had vroeger zeker een knecht gewoond. En ik stelde me voor, ik was nog een heel klein kind, dat ik daar op dien eenzamen zolder later mijn huishoudentje zou hebben! Later heb ik vreeselijk gedwéépt met Robinson Crusoe, maar wat ik eigenlijk nooit kon begrijpen was dat men hem zoo te beklagen vond. Ik vond hem veeleer te benijden—zoo lekker alleen op dat prettige eiland.
Wanneer je dat in je hebt, dan kom je er vanzelf toe, je altijd rekenschap te geven van wat je wedervaart, en dat is au fond mijn schrijven geweest. Ik geloof dat het bij een dichter net zoo gaat … niet dat ik zeg dat ik een dichter ben … ik heb veel te veel bewondering voor een dichter…. Het is dus het overdenken van wat je in je hebt en dat opschrijven.
Tusschen 1875 en '77, toen ik 16 jaar was, woonden we in Wageningen. Mijn moeder was erg orthodox en ik ben als kind ook vroom geweest, en nog op mijn dertiende jaar heb ik geld ingezameld voor de zending. Ik was toen als externe op een Christelijke school, waar ik het onderwijs wat was ontgroeid en privaatlessen kreeg. Ook had ik toen veel vrij en maakte groote wandelingen met een kennis die vijf jaar ouder was. Je kunt nergens in ons land zulke verschillende wandelingen maken als daar: De eene keer heb je de hei en de heuvels met mooie vergezichten en de andere keer weer de vruchtbare en vlakke Betuwe. Daar ben ik toen serieus gaan hopen dat ik een dichter zou worden.
Het was op een ochtend in den voorzomer en ik zat alleen op een heuvel bij Veenendaal. Aan de Grebbe had ik een jongen man bezig gezien, naakt tot aan den gordel, zich de borst te wasschen in een emmer koud water. Ik had nog al eens last gehad van mijn borst en ik was jaloersch op die kerel. Maar in dat heerlijke lenteweer—zooals we nu ook weer hebben—ga je je sterker en gezonder voelen, en ik kreeg hoop, dat ik ook eens een flinke kerel zou worden.
Ik was namelijk een jongen, die overal bang voor was, en ik deed bijv. heelemaal niet aan sport. Maar toen kreeg ik een gevoel: Jesis, je ontgroeit het! En ik zie nog altijd voor me dat aanteekenboekje, waarin ik toen neergeschreven heb die stemming van geluk, van daar op die mooie hei te zitten. Ik heb altijd veel gehouden van natuur met heuvels, in dat opzicht ben ik een echte Geldersman gebleven, en ik ging toen een soort symboliek maken van dat vergezicht in verband met mijn eigen hoop op de toekomst.
In dat jaar werd ik door mijn vriend uitgenoodigd een reis te maken door het Schwarzwald, een voetreis die wel zes weken geduurd heeft. Hij zou schilder worden en maakte een reisboek met teekeningen. Ik beschreef thuis mijn reis zonder teekeningen, maar met verzen, en dat werden acht schoolschriften in klad, een lang verhaal, met erg veel citaten, zooals je dat op dien leeftijd doet.
Op mijn zeventiende jaar zijn we verhuisd naar Voorst bij Zutphen en toen ben ik gekomen bij de registratie. Dat was iets ontzettends voor me, maar aan den anderen kant wist ik hoe vreeselijk het zou zijn als ik niet doorging. Ik ben uit een ambtenaren-familie, mijn vader en grootvader waren burgemeester, een oom van me is notaris, mijn broer was minister. In zulk een omgeving leer je zekere eischen van comfort en social standing stellen, die je niet gemakkelijk opgeeft. En dan:—ik leefde alleen met mijn moeder en zuster, in een aardig huisje met een mooi strooien dak (later heb ik mij menigmaal voorgesteld dat ik mij daarin zou vestigen). Mijn vader was vroeg overleden en we moesten rondkomen van een f 1200 à f 1400. Mijn studie had al veel gekost aan lessen en dergelijke dingen meer, en ik moest doorzetten, al voelde ik er niets voor.
Om mij zelf eenigszins schadeloos te stellen, heb ik er toen dit op gevonden, dat ik wel zou doorwerken, maar intusschen zou schrijven ook. Ik heb toen een klein bundeltje schetsjes gemaakt: "Kleingoed", waarin ik mij braaf accuraat had toegelegd op een keurigen vorm, enfin iets van Potgieter er in, die ik toen druk had gelezen, keurige zinnetjes, maar een beetje luchtiger en leniger dan Potgieter—zoo ver was ik toen al. Ik was 's middags zoo tevreden als ik na kantoortijd weer in de spoor zat naar Voorst. Maar ik had een uur te wachten aan den trein, en daar ontmoette ik iemand die aan de Zutphensche Courant was en mij van zijn baantje vertelde. En een poosje later kreeg mijn moeder de schrikbarende mededeeling, dat ik gesolliciteerd had aan een krant en van de registratie af wilde. Toen was de man die mij geestelijk steunde die Van Rappard. Hij schreef mij onmiddellijk. Hij was jonkheer ridder Van Rappard en zijn vader vond wel goed dat hij schilder werd, maar onder de kennissen vonden natuurlijk velen het een groot bezwaar, dat een jonkheer artiest zou worden. En hij schreef mij: Ik ben er 50% op achteruitgegaan, maar jij zult er 80% op achteruitgaan,—ofschoon je niet van adel bent. Er was toen nog heelemaal geen sprake van, dat je schrijver kon worden zonder een baantje te hebben. Later heb ik mij afgevraagd of het niet beter was geweest, bij de registratie te blijven, om vier uur Harer Majesteits kantoor te sluiten en dan voor me zelf aan het werk te gaan.
Toen ben ik al spoedig in Amsterdam gekomen, aan de "Amsterdammer" van De Koo, en ik viel er dadelijk in een milieu van menschen van beteekenis, (onder wie ook Van Deyssel) waardoor ik voelde wat er aan mijn heele vorming ontbrak. Ik ontmoette tijdgenooten, niet alleen van véél meer talent, maar ook veel rijper in levensbegrip. Ik leerde toen ook Tak kennen die was vreeselijk aardig voor me. Hij was mijn chef en ik zei "Meneer" tegen hem, maar als 's nachts de krant klaar was, nam hij mij dikwijls mee naar zijn kamer, waar we dan een toddey dronken. Hij was een idealistisch en vreeselijk … innig-gemoedelijk man. Ik herinner me nog, hij had een portret boven zijn schrijftafel, van een nichtje van hem, en hij barstte op een morgen in tranen uit toen hij over dat kind sprak. Om die sentimentaliteit van hem hield ik van hem als van een ideëelen ouderen broer. Als ik om twaalf uur met een looden kop op de krant kwam, dan had Tak zijn haren al gewasschen en zat weer lustig te werken. Hij was zeer sterk en ik zwak, en toen ging ik voelen de ellende van de onvrijheid door gemis aan fortuin. Dat gevoel ben ik in de laatste jaren wat kwijt geraakt. Bij mijn huwelijk heeft sterk gegolden het feit, dat mijn meisje aanleg dacht te hebben voor schilderes en zei: Geen huishouden!—Ik dacht, dat gaat gemakkelijk: Jij maakt schilderijen en ik schrijf, en zoo hebben wij geen zorg voor het huishouden. Maar het is anders geloopen.—Ik geloof niet dat ik anders den moed zou hebben gehad een huishouden te beginnen op de journalistiek, waar ik steeds voelde: vrees voor het maatschappelijk leven. Ik ben vreeselijk gauw op mijn teenen getrapt en den omgang met menschen heb ik steeds gevoeld als iets dat meer zorgen gaf dan genot. Dat is wel niet socialistisch, maar ik heb mij ook nooit voor een socialist uitgegeven. Ik heb altijd geleden onder den druk van te moeten omgaan, nu eens met die en dan weer met die—zooals een krantenman dat doen moet. Ik had heel zwaar werk, veel werk, en ik herinner mij uit de Amsterdamsche jaren, dat een vriend toen tegen me zei: "Kerel, sjouw jij zoo zwaar, of ben je verliefd?" Want ik zag er zoo slecht uit. Maar dat kwam van het 's nachts opzitten. Als verslaggever aan de oppositie-krant had ik het hard te verantwoorden en ik wilde weg. De Koo begreep dat niet: Hij bood mij meer geld aan en het tooneel, maar het was de kwestie, dat ik geen verslaggever verkoos te blijven en Holland uit wou.
Toen heeft mijn vriend Enklaar, met wien ik samenwoonde, die zelf aan het Buitenland van het "Handelsblad" werkte en mijn angsten en ergernisjes zoo gauw begreep, mij in relatie gebracht met Charles Boissevain. En voor het "Handelsblad" mocht ik naar Parijs. Daar ben ik dan vijf jaar geweest, en ik begon me meer en meer te voelen als de entretenu van Boissevain…. Ik blijf hem altijd dankbaar voor het baantje, maar … het had zijn bezwaren. Ik wist dat ik altijd in een bepaalden geest moest schrijven. En in dien tijd begon ik Parijs onder een hoe langer hoe cynischer wordend algemeen levensinzicht te bekijken. Ik had een zekere satanische vreugde aan die opvatting van Parijs—maar ik had ook veel tijd om mij in de literatuur te verdiepen en om musea en tentoonstellingen na te loopen, waar ik veel om gaf. Ik moest altijd vroolijke en opgewekte stukjes voor het "Handelsblad" schrijven, zooiets als Van Maurik. Het was een hoogst oppervlakkig werk. Maar u begrijpt, ik deed het als broodwerk, met het vaste voornemen ermede op te houden, als die oom in Australië van me, me eens een half millioen naliet, zooals u uw broodwerk, hoeveel plezier u er ook in hebt, zoudt laten varen als die rijke oom van u in Australië eens kwam te sterven.