Buch lesen: "Schetsen uit de Dierenwereld"
Daniel Giraud Elliot
Schetsen uit de Dierenwereld

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403416
Inhoudsopgave
VOORBERICHT.
DE SIESTA.
MISGEREKEND.
WAT IS ER?
EEN ROOVERSBURCHT.
OP ’T KANTJE AF.
HET GEVECHT.
LIST TEGENOVER KRACHT.
SNUFFELAARS OP ZEE.
EEN TROPISCHE BADPLAATS.
EEN GELUKKIG HUISGEZIN.
DE KONING DER DIEREN.
EEN ROOVER GEVANGEN.
DE DANSENDE SCHADUW.
DE SNEEUWVAL.
TWEE MEDEDINGERS OM HET KONINGSCHAP.
DE HINDERLAAG.
DUBBEL GEVAAR.
MOEDERLIEFDE EN MOED.
IN ’T NAUW GEBRACHT.
AFGETOBD.

SCHETSEN
UIT DE
DIERENWERELD.
GETEEKEND DOOR JOSEPH WOLF.
GEGRAVEERD DOOR
J. W. en E. WHYMPER.
HAARLEM,
KRUSEMAN & TJEENK WILLINK.
1874.
Gedrukt bij Gebr. van Asperen van der Velde, te Haarlem.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
De “Schetsen uit de Dierenwereld”, die hierbij het vaderlandsche publiek worden aangeboden, zijn een nederlandsche bewerking van een engelsch boek, getiteld: “Wild Animals”, bevattende een twintigtal prachtige gravures van J. W. en Edward Whymper, naar teekeningen van den beroemden Joseph Wolf, met bijschriften van Daniël G. Elliot.
Ieder die eenigermate bekend is met de groote vermaardheid, welke Wolf zich door zijne talrijke studies van het dierenleven, vooral in Engeland, heeft verworven, zal ongetwijfeld met ingenomenheid eene uitgaaf begroeten, waardoor enkele van de gewrochten van dezen meester ook onder de oogen van het nederlandsche publiek worden gebracht, en dit zooveel te meer daar Wolf in zeker opzicht een oude bekende voor ons is, of althans behoorde te zijn, in zoover de platen, in verscheidene prachtwerken van Prof. Schlegel voorkomende, van zijne hand zijn. Want, gelijk Whymper ons verhaalt, was het de Leidsche hoogleeraar zelf, die, nu omstreeks 30 jaren geleden, het buitengewone talent van den toen jeugdigen kunstenaar in zijne naar de natuur gemaakte studiën opmerkte en hem de eervolle taak opdroeg, om de teekeningen te leveren voor het destijds in druk verschijnend groot werk over de Valkenjagt.
De teekeningen, die den thans in het licht verschijnenden bundel versieren, werden door Wolf, op uitnoodiging van den graveur Edward Whymper, expresselijk voor dit doel vervaardigd. Neemt men hierbij in aanmerking, dat ze een studie van 7 jaren hebben gekost en daarenboven wellicht de laatsten van dien aard zijn, die wij van Wolf te wachten hebben, dan hebben ze reeds daardoor een bijzonder recht op de aandacht en belangstelling van het publiek, inzonderheid van alle beoefenaars der natuurlijke historie.
Doch niet alleen om die reden, ook op zichzelf zijn deze teekeningen, door Whymper’s verdienstelijke graveerstift tot ons gebracht, onze belangstellende aandacht overwaardig, en terecht gaat daarover in Engeland maar één stem op. Het weekblad “the Academy” zegt er o. a. het volgende van: “Deze “Wilde Dieren”, die hun prooi vervolgen en met elkander of met de menschen worstelen in den strijd om het bestaan, zijn in de hoogste mate dramatisch, ja zelfs tragisch te noemen. Iedere teekening in ’t bijzonder is een meesterstuk van vinding, de vrucht eener uitgebreide kennis van het leven der dieren, van hunne eigenaardigheden en gewoonten, en tegelijk volmaakt van uitvoering zoowel wat teekening als wat gravure betreft.”
De bijschriften, welke de platen vergezellen, zijn bewerkt door den amerikaanschen schrijver Daniël G. Elliot, en, waar het noodig was, door den deskundigen nederlandschen vertaler gewijzigd en aangevuld. Zij vormen een aangename en onderhoudende lectuur, zonder evenwel aanspraak te maken op den naam van zuiver wetenschappelijke studiën over het leven der wilde dieren.
Met het oog op een en ander vertrouwen de uitgevers, dat dit plaatwerk met ingenomenheid door het kunstlievend publiek zal worden ontvangen.
De Uitgevers.
DE SIESTA.
Inhoudsopgave

DE SIESTA.
Hoe prachtig is de plantengroei in de tropische gewesten! Boomen van allerlei grootte en vorm staan daar in elkander gegroeid en verward; bevallige klim- en slingerplanten groeien in slingers tusschen en rondom de gekronkelde boomstammen en takken, en bovendien vindt men er tallooze planten die de diepe bosschen met duizende bloemen van allerlei kleur vervroolijken.
Ofschoon het zeer stil is onder deze bladerrijke gewelven, en men geen ander geluid hoort als misschien het ritselen der bladeren of het gekraak van de takken door den wind, leven er toch eene menigte dieren in die oogenschijnlijk eenzame bosschen. Het wemelt er van allerlei insekten, en vooral van prachtige vogels, van den luidruchtigen papegaai tot het schitterende kolibrietje; zij vliegen rond, en zoeken de vruchten die in trossen aan de takken hangen, of zuigen de honig uit de bloemen. In de moerassen leven slangen met prachtig gekleurde fluweelen huid, of afschuwelijke krokodillen met schubbige wapenrusting, die met den kop alleen boven de oppervlakte van het water liggen. Ook menig viervoetig dier zwerft door de koele bladerrijke bosschen; zij schuwen de groote hitte van de middagzon, en liggen languit op den grond te sluimeren; als de zon ondergaat, staan zij verfrischt op en beginnen hunne nachtelijke rooftochten.
Onder de dieren die in de tropische bosschen leven, is de jagoear, ook de luipaard van Zuid-Amerika genaamd, het meest te vreezen. Diefachtig, listig, sterk en verraderlijk, is hij de schrik van alles wat hem omringt; als hij honger heeft, vreest hij zelfs den mensch niet, maar bespringt hem, en draagt hem in het dichte kreupelbosch waarin men onmogelijk door kan dringen. Daar houdt hij zijn afschuwelijken maaltijd.
Men verwart den jagoear dikwijls met den luipaard en den panter, want deze drie dieren gelijken zeer veel op elkander. De jagoear is niet altijd gelijk geteekend, en de beide zijden van zijn lichaam verschillen wel eens. De grondkleur van zijn kort haar is bruinachtig geel en aan den buik wit; aan de zijden heeft hij van drie tot zes lange rijen zwarte oogvlekken, welker ringen nooit gesloten zijn; langs de wervelkolom een rij groote en onregelmatige zwarte vlekken, en aan de binnenzijde van de pooten zwartachtige dwarsstrepen.
De jagoear vertoeft het liefst in de nabijheid van groote stroomen; hij zwemt zeer gemakkelijk, en vangt zijn buit even goed in het water als op het land. Terwijl hij in het water staat, werpt hij met een slag van zijn poot de visschen op den oever, hetgeen door velen, echter geheel ten onrechte, betwijfeld wordt, want er zijn zelfs vele huiskatten die visschen vangen. Des nachts zwerft de jagoear langs de rivieren rond, valt de schildpadden aan die aan land komen, haalt haar vleesch voorzichtig uit de schaal, zonder deze te breken, graaft de eieren van de schildpad uit den grond op, en loert op de jongen.
De Indianen dooden den jagoear met kleine zwaar vergiftigde pijltjes die zij uit rietjes blazen; de jagoear blijft er zeer onverschillig voor, want deze pijltjes veroorzaken slechts weinig pijn, maar na verloop van een kwartier valt hij dood neder. Het is zeer gevaarlijk om met een vuurwapen op den jagoear te schieten, want als de kogel niet doodelijk treft, werpt de jagoear zich, woedend van pijn en schrik, op den jager.
De jagoear is buitengewoon sterk, zooals uit het volgende voorval blijkt. Een jagoear had een paard gedood, maar werd door eenige reizigers in zijn maaltijd gestoord, en ontvluchtte; kort daarna kwam hij echter terug, sleepte zijn buit naar eene breede en diepe rivier, die ongeveer zestig schreden afstands verwijderd was, sloeg de tanden in het lichaam van het paard, zwom er mede naar den overkant, en bracht het in een nabijgelegen bosch.
Het verschrikkelijke gebrul van den jagoear, vermengd met het diepe, dreunende geluid van den krokodil en de vreesselijke onweders der tropische gewesten, maken op de reizigers een ontzachelijken indruk, en vervullen hen met angst en schrik.
De jagoear is alleen des nachts bezig, even als alle bewoners van de tropische gewesten, zoowel menschen als dieren. Als de zon is opgegaan, gaat hij op een lagen tak liggen, en slaapt het grootste gedeelte van den dag. Even als alle katten kan hij zeer goed klimmen, want met zijne scherpe klauwen klimt hij gemakkelijk bij de boomen op: menige ongelukkige aap, die veilig op zijn tak denkt te zitten en tegen de wereld beneden hem grijnst en gezichten trekt, wordt eensklaps door den jagoear aangevallen, en in triomf weg gedragen. De jagoear valt geen menschen aan, tenzij hij honger heeft of in ’t nauw gebracht wordt. Hoe verschrikkelijk hij dan is, kan uit het volgende voorval blijken. Een leekebroeder uit het klooster van den H. Franciscus te Santa Fé had juist zijn belijdenis gedaan, en wilde de sakristie binnentreden. Toen hij de deur opende, zag hij eensklaps tegenover zich een buitengewoon grooten jagoear. Het dier sprong op hem los, greep hem, en droeg hem in een hoek om hem daar te verscheuren. De wachter van het klooster, die de angstkreten van den man hoorde, liep er heen; maar nauwelijks had hij gezien wat er voorviel, of de tijger sprong op hem los, en doodde hem even als den ander. Daarna ging een derde man in de sakristie; ook deze onderging het zelfde lot. Een senator trachtte nu in de sakristie te komen, door een achterkamer die met een klein deurtje er in uitkwam. Maar ter zelfder tijd dat de senator in de achterkamer ging, verliet de jagoear de sakristie, en voordat de senator met een klein gevolg binnen was gekomen, hoorde hij de kreten: hier is hij! hier gaat hij! help! help! Ter zelfder tijd hoorde men het gebrul van den jagoear en de laatste kreten van een vierde slachtoffer. Ieder vluchtte in de kerk, en de jagoear keerde naar de sakristie terug. Nu naderde de senator, en grendelde zachtjes de deur. Hij boorde er een gat in, en op deze wijze gelukte het hem het monster dood te schieten. Deze verschrikkelijke gebeurtenis is te verklaren doordat het klooster op de oevers van den Rio Bravo ligt, die bij stormen de eilanden overstroomt, die dicht bij de stad liggen. Gedurende zulk een overstrooming waren alle dieren van de eilanden verdreven, waaronder ook de bovengenoemde jagoear, die in de tuinen van het klooster sloop. Daar zag hij een deur die toevallig open stond, en zoo kwam hij in de sakristie. Toen hij daar was, begreep hij dat zijn schuilplaats door den vloed was afgesloten, zoodat hij als in een val zat. Hij meende dus genoodzaakt te zijn een wanhopigen aanval op de menschen te doen, en herhaalde dien verscheidene malen.
Het is gelukkig voor de bewoners van Amerika dat de jagoear nooit in troepen leeft, want zoodra hij oud genoeg is om voor zich zelven te zorgen en een prooi te dooden, verlaat hij zijne familie, en leidt een eenzaam leven. Ware hij gewoon in troepen te leven, evenals de wolven, dan zou hij spoedig elk levend dier verscheuren; want door zijn scherpen reuk, kracht en list, en het gemak waarmede hij in de boomen klimt, overtreft hij bijna elk levend schepsel. Het zou verschrikkelijk zijn als de jagoears in troepen op hunne prooi aanvielen: in dit geval zou niets tegen hen bestand zijn. Maar daar zorgt de goede natuur voor, want zulk een dier wordt als het ware in toom gehouden door de hem ingeschapene zucht naar eenzaamheid. Als men de plaat beziet, zou men niet denken dat de jagoear zulk een wreed dier is; het is alsof men hem hoort spinnen van tevredenheid, nu hij daar boven den koelen stroom ligt te sluimeren en hij zijne gewone siësta houdt.
MISGEREKEND.
Inhoudsopgave

MISGEREKEND.
Onder de zooltreders, dat wil zeggen de viervoetige dieren die op de voetzool en niet op hun teenen loopen, is de beer een van de sterksten. Als hij niet geplaagd wordt, is hij onschadelijk, en brengt zijn tijd door met in het bosch naar bessen en vruchten te zoeken, die hij gaarne lust. Ofschoon hij zeer sterk en taai van leven is, schuwt hij alle onaangename ontmoetingen, en als hij menschen ziet, vlucht hij liever, ten minste als ’t mogelijk is, dan staan te blijven, en zich te verdedigen. In den zomer wordt hij zeer vet, zoodat hij op zijn vet teerende den gestrengen winter zonder voedsel kan doorbrengen. Zoodra de eerste sneeuwvlokken vallen, ziet hij om naar een geschikt leger, liefst in een grooten, hollen boom of in een rotsspleet. Dáár slaat hij dan zijne woning op, om er de treurige wintermaanden in door te slapen. Als hij zoo in een hollen boom overwintert, rolt hij zich op als een kluwen, en als hij niet gestoord wordt, ontwaakt hij niet eerder dan wanneer alles weer begint te bloeien.
In alle noordelijke landen vindt men beren. In de koude noordpoolstreken zwerft de groote ijsbeer over de ijsvelden en de met sneeuw bedekte vlakten van het ruwe en onherbergzame land, en twist met de arme Eskimo’s om zijn buit. In het noordelijke gedeelte van Amerika woont de grijze beer, de wreedste van alle soorten, en de zwarte beer. Ook in Azië, Afrika, Japan, op de eilanden van den Indischen Archipel, en in Zuid-Amerika vindt men beren, zoodat deze dieren bijna over de geheele aarde verspreid zijn.
Van de buitengewone kracht van den grijzen beer verhaalt Sir John Richardson het volgende. Er zat een gezelschap jagers aan de Saskatchewan-rivier bij een vuur hun eten te kooken, toen plotseling een groote grijze beer over het schuitje sprong, dat bij hen lag, een man bij zijn schouder pakte en meêsleepte. De anderen vluchtten, een uitgezonderd, die zijn geweer greep en het dier volgde. Hij riep zijn kameraad toe dat hij bang was vuur te geven, omdat hij ook hem kon treffen; maar de ander smeekte hem het evenwel te doen, omdat hij toch ter dood veroordeeld was. Hij vuurde daarop op den beer, die onmiddellijk den man dien hij vasthield losliet, en op zijn nieuwen aanvaller toeschoot. Maar deze ontsnapte hem, en de beer verdween in het kreupelbosch, waar men onderstelt dat hij gestorven is, want niemand had den moed om er naar te gaan zien. De arm van den geredden man was gebroken en hevig gekwetst, maar herstelde later.
Somtijds is de beer zeer nieuwsgierig, en snuffelt dan vooral met aandacht als er iets is dat zijne reukorganen gestreeld heeft. Als hij op zulk een ontdekkingstocht is, geraakt hij dikwijls in moeielijkheden die hij op een ander tijdstip zekerlijk zou hebben vermeden. Ik herinner mij een voorval, waarin zijne begeerte naar een stuk vleesch zeer lastig was voor de personen die er bij tegenwoordig waren, zoodat zij den beer slechts met veel moeite uit hun nabijheid konden houden.
Eenige jagers hadden een eland gedood; zij lieten het dier liggen, gingen naar huis om te eten, en keerden vervolgens terug om het dier aan stukken te snijden; zij lieten hunne geweren achter, niet denkende dat zij er behoefte aan zouden hebben. De bodem waarop de eland lag, was eenigzins heuvelachtig en bedekt met een dikke laag losse steenen. Toen zij hun taak half geëindigd hadden, ontdekten zij eensklaps den grijzen neus van een zwarten beer boven een heuvel, die dicht bij hen was. Het duurde nu niet lang, of zij zagen den beer in zijn geheel; hij was zeer groot, en waarschijnlijk een aartsvader onder zijne gelijken, want hij werd gevolgd door niet minder dan vier andere beren van verschillende grootte, die ook op den heuvel kwamen aanwaggelen. Zij kwamen nu allen wat dichter bij, gingen zitten, en gaven door snuiven te kennen, dat zij op verkenning uit waren. Hunne neuzen zeiden hun stellig dat er iets lekkers te vinden was, maar de onwelkome tweevoetigers schenen de ruige groep niet te bevallen. Om beter te kunnen zien, kwam de patriarch, vergezeld van de anderen, nog een weinig dichter bij. Zeer betreurde het gezelschap nu het gemis van hunne wapens, want hunne geweren lagen ongebruikt in het veld. Zij begonnen hard te schreeuwen, hopende de beren daardoor verschrikt te maken. Maar dit hielp niets, en zij dachten niet anders of de naderende beren zouden den dooden eland wegnemen. Nu begonnen zij met steenen te werpen, waardoor een paar van de beren ernstig gekwetst werden, zoodat de ruige dieren ten laatste maar heengingen. Zij keken telkens eens om, en zoolang de eland nog in ’t gezicht was, hield de grijsneuzige patriarch tusschenbeide eens stil, alsof hij nadacht waarom hij toch zoo’n heerlijk maal moest missen. Toen de onverwachte bezoekers verdwenen waren, werd de eland spoedig aan kant gemaakt, en liet men de beenderen en ingewanden voor de beren liggen, die zekerlijk later daaraan gesmuld hebben.
De beer loopt langzaam, en heeft een waggelenden gang; hij zet de beide pooten van den zelfden kant te gelijkertijd neer, en draaft nooit hard. Maar als hij er toe genoodzaakt wordt, kan hij toch snel loopen, want op de vlucht of als hij honger heeft en een prooi vervolgt, kan een goed paard hem voor een korten tijd niet in vlugheid overtreffen. Gewoonlijk vreedzaam van aard, doet de beer niet dikwijls andere dieren leed, en bemoeit zich ook niet veel met wat hem omringt. Uit het volgende voorval blijkt dat hij somtijds zich zelven in groote moeielijkheden brengt.
Een jager, die het grootste gedeelte van den dag in een ongebaand bosch van Noord-Amerika op de jacht was geweest, en daardoor vermoeid was, ging aan den oever van een meertje op den grond liggen om wat uit te rusten. Niet langen tijd had hij daar gelegen, toen de stilte van het bosch eensklaps door een vreesselijk gehuil verbroken werd, dat hoe langer hoe harder werd, alsof er eenige woedende dieren aan ’t vechten waren. Op eens kwam een beer uit het bosch schieten, naderde den oever, en zag ontsteld naar een geschikter schuilplaats rond dan het diepe meer voor hem kon zijn. Eenige oogenblikken daarna verscheen er een groote koegoear, die onder vreesselijk gehuil en met uitgestrekte klauwen op den rug van zijn vijand sprong. Hierop volgde een hevig gevecht. Het was als of men slechts één dier zag, zoo vlug draaiden zij om elkander heen. Zij vochten te midden van een dwarrelenden hoop haar en wol, en onder een verschrikkelijk gebrom en gebrul. Spoedig verflauwde het gevecht, want de beer viel dood neder, door zijn woesten vijand bijna geheel aan stukken gereten. Nadat de koegoear aan het meer zijn dorst gelescht had, wilde hij weer in het bosch verdwijnen, maar nu doodde de jager hem door een goed gelukt schot. Hij zag dat het een wijfje was, en de eenige verklaring die men kan geven van het vechten van twee dieren, die zoo volkomen van elkander verschillen en beiden zoo krachtig zijn, is dat de koegoear, die klaarblijkelijk moeder was, door den beer van haar jong beroofd was, en nu door haar moederlijk gevoel gedreven werd om het kwaad te wreken, dat hij haar had aangedaan.
De plaat die bij dit hoofdstuk behoort, stelt eene gebeurtenis voor, die aan een heer in Noorwegen is overkomen. Op een wintermorgen ging hij met eenige vrienden op de berejacht, vergezeld van eene menigte honden van allerlei ras. Het duurde niet lang, of zij zagen het winterverblijf van een grooten beer. Na herhaalde pogingen werd het dier uit zijn warm hol gedreven en gewond. Nu de beer gedwongen werd om zich te verdedigen, sprong hij op den jager los, wierp hem ter aarde, en ging boven op hem liggen. Gelukkig lag er zeer veel sneeuw, en daar de heer wist dat zijn eenige kans op levensbehoud was, zich niet te bewegen, kroop hij zooveel mogelijk onder de sneeuw, en hield zich alsof hij dood was. De beer was zeer oud, en zijne tanden waren tot op het tandvleesch afgesleten, zoodat zij telkens afglipten, en geen kwaad deden toen de beer het hoofd van den jager in zijn muil nam. Ondertusschen vielen de honden den beer aan, en beletten hem al zijn aandacht te schenken aan den man die onder hem lag. Weldra kwamen de andere jagers aanloopen, en maakten het dier spoedig af; zij bevrijdden hun metgezel uit zijn onaangenamen en gevaarlijken toestand, zoodat men met recht mocht zeggen dat de beer in dezen had misgerekend.
Die kostenlose Leseprobe ist beendet.