Buch lesen: "Reize van Maarten Gerritsz"

Schriftart:

Maarten Gerritszoon Vries, Cornelis Janszoon Coen, Philipp Franz von Siebold

Reize van Maarten Gerritsz

Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066340247

Inhoudsopgave

INLEIDING.

INSTRUCTIE

REMONSTRANTIE

ORDRE TOT DE ZEYLAEGIE

JOURNAEL

JOURNAEL VAN DE MAENT APRIL, IN ’T CORT BEREECKENT VOLGENS ONSE SEYLAGIE, BEGINNENDE 145 GR. 30 MIN. BEOOSTEN DE MERIDIAEN VAN TENERIFFA ENDE VAN DE BREETE VAN 0 GR. 54 MIN. BENOORDEN DE LINIA EQUINOCTIAEL, DOOR CORNELISZ JANSZ. COEN, OPPERSTIERMAN, ANNO 1643.

BIJLAGEN.

EXTRACTEN

Saturdagh den 17 de January A o . 1643.

Vrydagh den 23 ste January A o . 1643.

Maendagh den 2 den February A o . 1643.

Extract uyt Batavia’s Daghregister, d o . 14 December, 1643.

MAERTEN GERRITSZ. VRIES .

CORNELIS JANSZ. COEN.

AARDRIJKS- EN VOLKENKUNDIGE TOELICHTINGEN

I. DE ONTDEKKING VAN HET EILAND BRESKENS EN VAN DE QUAST’S EILANDEN.

II. DE ONTDEKKING VAN DE TASMAN’S EILANDEN.

III. DE ONTDEKKING VAN DE OOSTKUST VAN JAPAN VAN DE KAAP SIROFAMA VAN NIPPON (HOEK BOSHO) TOT DEN NOORDHOEK .

IV. DE ONTDEKKING VAN HET LAND VAN JEZO.

DE STAM DER AINO’S.

DE TAAL DER AINO’S.

AINO-GESPREKKEN.

VERZAMELING VAN AINO-WOORDEN.

VOORTBRENGSELEN DER AINO-LANDEN.

HET DIERENRIJK.

HET PLANTENRIJK.

DELFSTOFFEN.

TAFEL VAN VERGELIJKING VAN DE BREEDTE- EN LENGTEBEPALINGEN VAN DE VOORNAAMSTE PUNTEN EN PLAATSEN VAN JEZO , DE ZUIDELIJKE KURILEN EN VAN KRAFTO .

BIJ DEN UITGEVER DEZES ZIJN MEDE TE BEKOMEN DE NAVOLGENDE WERKEN UITGEGEVEN VAN WEGE HET KON. INSTITUUT VOOR NEDERL. INDIË.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Eene der belangrijkste ontdekkingsreizen, die er onder het bestuur van den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen hebben plaats gehad, is die onder het beleid van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries in het jaar 1643, met de schepen Castricum en Breskens naar het Noord-Ooster-deel van Azië.

De aanleiding tot het doen dezer reize was vooral deze. In 1635 was er door eenen Willem Verstegen, in dienst der Oost-Ind. Comp. in Japan werkzaam geweest zijnde, »Eene Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende Goudt ende Silver Eylant, gelegen in de Zuit-zee, ter hoochte van 3712 graden benoorden de Linie Equinoctiael, gedirigeert aen d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael enz.” Deze Gouverneur vertrok spoedig na het ontvangen dezer Remonstrantie naar het Vaderland, en liet het aan zijnen opvolger over, om die zaak in overweging te nemen.

Hoe gaarne nu ook van Diemen, dadelijk na het aanvaarden van zijn bestuur, schepen ter opsporing van die Eilanden had willen afzenden, werd hij daarin door verschillende omstandigheden verhinderd, en niet voor het jaar 1639 kon hij daaraan gevolg geven. Zoo schreef hij, onder dagteekening van den 18 December 1639, aan de Bewindhebbers in het Vaderland: »maer op enckel onvermogen ende dat doorgaens trachten de negotie voor eenige saecken, exploicten ende ontdeckingen van vreemde landen te prefereren, is d’opsoecking van goudt ende silverrycke Eilanden ten Oosten Japan gelegen, wel tegen ons gemoet t’sedert anno 1636 uytgestelt ende suspens gebleven; maer aengemerckt wesende, UEd. tot derselver ontdeckingh, mitsgaders Corea ende Tartarise cust inclineren, daertoe order geven, met hope van vruchtbaer succes; hebben in conformité van onse resolutie dato 24 May bevooren, Comps. presente als uyt Nederlant te comen navale macht, tegen de voorhantse ende ordinarie besendingh wel geexamineert ende overleyt, synde goetgevonden ende vastgestelt, tot gemelte ontdecking te gebruycken de fluytschepen Engel ende de Graff, als de bequaemste op soo crappen vaerwater. Ingevolge syn deselve yder met 45 coppen cloeck volck voor 12 maenden geprovideert, den 2 Juny passato onder ’t beleyt van den Commandeur Matthys Quast uyt dese reede verseylt, met order by Oosten Banca den cours nae Manilhae’s baye te doen, om ’t canael van Spirito Sancto te passeren ende alsoo om de Noort aen Japans Oostsyde in de Noort-Weste winden te comen, de Eylanden 100, 150 ende 200 mylen tusschen de 30 en 36, mitsgaders ’t doelwith op 3712 graden Noorderbreete, 400 mylen by Oosten Japan gelegen, op te soecken ende aentetreffen, als wanneer by nonopdoeningh gelast hebben, andere 200 mylen om de Oost te seylen ter selver hoochte, ende geen voordeel bejegenende, dat van daer sullen trachten nae Tartarien ende Corea, ingevalle de winden (daer aen twyffelen) sulcx gedoogen, te comen. Wyders soo wanneer keerende geen Noort connen winnen, andere 200 mylen om de Oost aff te loopen, al waer’t op de custe van West-Indien, omme t’onderstaen wat voordeel daer te bejagen sy, ende dan door den Suyt-Oosten passaet te keeren nae Tayouan off Batavia, nae sich den tyt, weder ende wint voegen sal; mits dat in passant Islas de Ladrones verkenne en visiteere, gelyck dit ende sulcx meer ten dienste van de Comp. gesegden Quast gerecommandeert hebben, by desselfs instructie can worden beoogt, die UEd. gelieven te resumeren in ons brieffbouck, onder dato primo Juny laest. Den Almogende bestiere alles tot dienst van de Generale Comp., ende geve dat UEd. ter syner tyt gewenst succes van dese expeditie mogen aencondigen.”

De reis van Quast leverde echter dat resultaat niet op, dat men er zich van had voorgesteld. Bij brief van den 8 Januarij 1640 berigt van Diemen den afloop dezer reize aan de Bewindhebbers aldus: »Met Breda is herwaerts onverrichter saecke van d’ontdeckingh der landen by Oosten Japan gelegen gekeert, den Commandeur Mathys Quast, hebbende ruym 600 mylen by Oosten Japan op de geordonneerde hoochte affgeseylt, sonder lant op te doen, als wanneer den windt sich sulcx presenteerde, dat resolveerde nae de West te keeren, by Noorden Japan de cust van Tartarien, Corea ende China aen te doen, sulcx dat sy deselve lenghte weder teruggekomen, tusschen de 42 en 38 graden Noorderbreete, mede in ’t keeren geen landt vernomen, maer door sieckte overvallen wesende, moesten d’ontdeckinge om de Noord staecken, ende syn by Oosten Japan seer miserabel ende swack van volck in Tayouan den 24 November aengelandt, hebbende op beyde de fluyten 38 man verloren, dat is byna de helft van ’t ophebbende, van hier affgevaren volck.”[1]

Niettegenstaande dezen min gunstigen afloop der reize van Quast, werd er besloten om andermaal een’ togt derwaarts te laten doen, maar ook nu verloopt er door de belegering van Malakka, de zaken op Ceylon, de reis van Tasman naar het Zuytland enz. weder een geruime tijd, alvorens men schepen kan missen, om deze onderneming te bewerkstelligen. In 1643 evenwel heeft de reis voortgang, en werden de schepen Castricum en Breskens onder de bevelen gesteld van den ervaren Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries of de Vries, zoo als wij hem ook wel in officieele bescheiden genoemd vinden. In een gedeeltelijk in cijfer geschreven missive aan de Bewindh. in dato 23 Januarij 1643, wordt hen hiervan op deze wijze kennis gegeven: »Tot ontdeckingh van de Noordcuste M. r. k. M. r. k. c. b. d. ende van daer omme andermael optesoecken, de XXI ende IV rycke 24, 39, 17, 30, 16, 5, 50, 20, by tt. h. m. b. d. c. r. f. r. d. syn geprojecteert de fluyt Castricum ende ’t jacht Breskens, sullen ultimo deser de reyse aenvangen, onder ’t bestier van den ervaren Schipper Maerten Gerritsen Vries, de cours is van hier by Noorden Celebes nae Ternaten ende van daer by Oosten 11, 9, 16, 10, 2, om de 2, 25, 20, 72, 22, custe van M. r. k. M. r. k. c. b. d. aentesoecken, ’t welck gesustineert wordt in den somertyt sal connen geeffectueert worden, ende dan voorts om de Oost, daer men meent d’aengetogen Eylanden op te doen[2]. ’T succes van d’een ende d’ander wordt UEd. nae desen gecundicht.”

Aan den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen te Ternaten werd van het doel hunner reize en om hun daarin op alle mogelijke wijze bevorderlijk te zijn, bij missive van den 31 Januarij kennis gegeven. »Dese gaet per ’t fluytschip Castricum ende ’t jacht Breskens, onder commando van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, over Ternate, tot ontdeckingh van de Oostkuste van Tartarien ende om op te soecken d’onbekende Eylanden Oostwaerts gelegen. UEd. sal deselve costy omme geene redenen ophouden, veel min veranderingh in ’t ophebbende volck als officieren, soldaten off varentvolck doen, ten waere eenige siecken tegen cloecke gesonde wisselden; de gemelte schepen ende volck geduyrende haer verblyff (dat cort sal wesen) soo veel mogelyck verversende, daeromme geen costen noch coebeesten sparende, sult hun van alles tot de reyse soo veel te becomen sy versorgen, vooral beestiael, dat costy niet ontbreekt. Hiertoe ons verlatende sullen met d’eerste gelegentheyt per brieven van de overhoofden deser schepen gaerne vernemen, hun desen aengaende contentement gedaen sy, dit ons desseyn soo veel mogelyck secreet houdende, voorgevende dat omtrent Manilha om buyt ende advantagie te becomen, gedestineert syn te cruysen.”

Ook aan de Vries gelukte het niet die rijke Goud- en Zilver-Eilanden te vinden, maar daarentegen is zijne reis hoogstbelangrijk geweest voor de uitbreiding der aardrijkskunde, want behalve dat men beter bekend werd met de kusten van Japan, werden door hem eilanden en straten ontdekt en benoemd, waarvan men tot dus verre slechts weinig of geen kennis had.

De mededeelingen, die men van de reis van de Castricum en de Breskens heeft, zijn zeer onvolkomen en bestaan voornamelijk in eenige opgaven, voorkomende bij Nicolaas Witsen in zijn werk over Noord- en Oost-Tartarije[3], en daaruit bij Buache[4] overgenomen, zoo ook in de »Koorte Beschryvinghe van het Eylandt Eso, soo als het eerst in den jare 1643 van ’t schip Castricum beseylt ende ondervonden is”[5]. Eerst 144 jaren daarna is het den verdienstelijken, doch ongelukkigen Franschen zeereiziger la Pérouse[6], die ons met de belangrijkheid van de reis van de Vries bekend maakt. Het is dan ook vooral na dezen reiziger, dat de Hoogleeraar Moll in zijne Verhandeling[7] ons het een en ander over de Vries en zijne verrigtingen bekend maakt.

Het mogt den Hoogleeraar von Siebold in het jaar 1842 met behulp van den Heer P. L. de Munnick, gelukken, in het Oud-Koloniaal Archief alhier, de Instructie voor de reis van de Vries vastgesteld te vinden. Ze werd gedeeltelijk geplaatst en toegelicht door den Heer P. Br. Melvill van Carnbée in de Moniteur des Indes[8]. Deze geachte hydrograaf beklaagt zich ten hoogste, dat de journalen van de Vries niet uitgegeven zijn. Hij zegt[9]: »Il est fort à regretter que les journaux de de Vries n’aient jamais été publiés; nous n’avons de son voyage que peu de détails, qui se trouvent dans l’ouvrage de Mr. Nicolaas Witsen, et qui ont servi au recit qu’en donna plus tard Mr. Philippe Buache. Il parait que nos ancêtres firent peu de cas de ces voyages, qui n’eurent, il est vrai, peu ou moins de resultats immédiats pour le commerce, mais qui furent pourtant très importants pour la géographie. C’est à cela apparement qu’on doit attribuer que dans les ouvrages de ce temps-là il n’est fait mention des voyages de Quast, Vries et de plusieurs autres encore, qu’en passant et que ce n’est qu’un et deux siècles après qu’on s’aperçut que ces mêmes voyages furent et sont encore aujourd’hui du plus haut intérêt pour les sciences géographiques.”

Ook in het nog niet lang geleden (1852) voor de kennis van Japan zoo hoogst belangrijk uitgekomen werk van den Hoogleeraar von Siebold lezen wij[10], nadat de geachte Hoogleeraar alvorens een overzigt der reis van de Castricum heeft gegeven: »Die volständigen Reiseberichte der beiden Schiffe Castricum und Breskens, wovon wir nur die obenerwähnten Auszüge kennen, scheinen verloren gegangen oder noch in irgend einem Archive in Holland oder zu Batavia verborgen zu liegen.”

Het oorspronkelijke volledige Journaal van de Castricum, dat wij het genoegen hebben onzen lezers aan te bieden, is gehouden door zijnen verdienstelijken Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen[11]. Het werd aan de Bewindhebbers in het Vaderland opgezonden en bevat eenen schat van opmerkingen en waarnemingen, zoodat het de behartiging overwaardig is.

Dat de waarnemingen op deze reis gehouden naauwkeurig waren, hiervoor staat ons een la Pérouse borg, die met zoo veel betere instrumenten uitgerust, gevoegd bij den hoogeren stand, waarop de kennis der zeevaart te zijnen tijde stond, gaarne de getuigenis aflegde: »que la navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui ait pu être faite dans un temps, où les methodes d’observation étaient très grossières”[12].

Wij hebben het Journaal doen voorafgaan door de Instructie aan de Vries voor dien togt medegegeven, en de Remonstrantie van Willem Verstegen aan den Gouverneur-Generaal Henrick Brouwer ingezonden; terwijl wij eindelijk eenige uittreksels uit de brieven van den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen en Raden van Indië, over den afloop van de reis van de Vries, zoo mede eenige aanteekeningen over dezen Commandeur, als Bijlagen laten volgen.

Het Journaal van den Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen, dat ons aanleiding verschafte om op het Oud-Koloniaal Archief eenige nasporingen te bewerkstelligen omtrent de reis van de Vries in 1643, behoort in eigendom aan den Hoog-Welgeboren Heer, Jonkheer J. Huydecoper van Maarseveen, die, ter liefde der wetenschap, de uitgave wel heeft gelieven te vergunnen, waardoor Z.H.W.G. allen, die de gedane ontdekkingen der Hollanders in de 17e eeuw op prijs stellen, ten hoogste aan zich verpligt heeft; want na alle daartoe aangewende pogingen, was men tot dus verre niet geslaagd, om de Journalen van de Castricum en de Breskens terug te vinden; men mag zich derhalve verheugen, dat ten minste een derzelve voor de vergetelheid bewaard is gebleven, en wel dat, dat naar ons inzien door den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen en de Raden van Indië, bij hunne missive van den 4 Januarij 1644, naar het Vaderland werd gezonden.

[1] Zie Aanteekening.

[2] Zie Aanteekening.

[3] Zie Aanteekeningen.

[4] Zie Aanteekeningen.

[5] Zie Aanteekeningen.

[6] Zie Aanteekeningen.

[7] Zie Aanteekeningen.

[8] Zie Aanteekeningen.

[9] Zie Aanteekeningen.

[10] Zie Aanteekeningen.

[11] Zie Aanteekeningen.

[12] Zie Aanteekeningen.

INSTRUCTIE

Inhoudsopgave

voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, en den Raed van ’t Fluytschip Castricum en ’t Jacht Breskens, gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van Tartariën, ’t coninckryck Cathaija en de Westcust van America, mitsgaders de goud- en silver-rycke eylanden by Oosten Japan.

Bij de geloofwaerdighste geographen ofte wereldbeschrijvers werd onder de groote landen van Asia, Tartariën ofte Tartaria (als ’t grootste land) gesteld, dat in ’t Noorden van de Yszee, in ’t Westen van Rusland en Polen, in ’t Zuyden van de Zwarte zee, ’t Caspische-meer, de landen van Bactriana en India, ende in ’t Oosten van China en den onbekenden Tartarischen Oceaan bepaeld is; hebbende in de lenghte van ’t Oosten nae ’t Westen niet min dan negenhondert en in de breedte van ’t Zuyden nae ’t Noorden wel 450 duytsche mijlen, in welck ruym begryp (sijnde grooter als geheel Europa) veel groote landen, provintien, meeren en woestijnen gelegen sijn. Onder anderen werd voor ’t aldertreffelyckste deel ’t vermaerde coninckryck van Cathaya, onder ’t getemperde climaet van omtrent de vyftigh graden by Noorden den Aequator, gestelt, wesende d’eerste provintie van ’t keyser-ryck des grooten Chams, welcken prince den stoel syner Monarchia in de groote Hooftstad Cambalú houd, dat een plaetse van wonderlycke commercien werd befaemd, daer seer grooten handel van allerley binnenlandse oft Tartarische en buytenlandse Chineese waren en coopmanschappen gedreven werd. De Oostcust van dit land is bovenmate schip-ryck befaemd, mits de groote trafficquen, die van dit ryck op d’omtrent gelegen landen en custen gedreven werd, doch vermits in eenen hoeck van den aerdcloot gelegen, werd tot noch van geen Europeanen, noch eenig Orientaelse natien, selfs oock niet van de aenpalende Chynesen gefrequenteerd, maer als verborgen, te verre affgelegen, en schier als buyten de wereld geacht.

De seeckerheyt van dese gementioneerde gelegentheyd des vermaerden lantschaps Cathaya, heeft aen veel geleerde cosmographen en piloten oorsaeck gegeven, op d’ontdeckinge deses conincx-rycx ernstelyck te schryven en diverse wegen, soo door ’t Orientaelse India en de straete Magelanus, als door ’t Noorder America by de Enghte Davids, mede omtrent Nova Sembla en recht onder ofte over den Noorderpool eene passagie derwaerts aan te wysen, daer op oock door de drie laetste wegen diversche preuven van d’Engelse en Nederlandse natien ondernomen sijn, maer alle te vergeefs, gelyck mede de twee voyagies door den vermaerden Jan Huyghen van Linschoten, uyt bevel van de Ho. Mo. Heeren Staten Generael der Vereenighde Nederlanden, ten selven eynde in den jare 1594 met 2 schepen, en Ano 1595 met seven schepen, onvruchtelyck is gedaen. En alhoewel in d’eerste reyse een passagie by ’t eyland Waygats, door de strate ofte enghte van Nassauw tusschen Moscovia en Nova Sembla tot in de Tartarische Noordzee wierd ontdeckt, soo is nochtans de tweede reyse desen ontdeckten wegh door menighte van ys onbruyckelyck gevonden en de vlote sonder verhoopt effect in Nederland gekeert. Sedert dien tyd hebben alle natien van de Tartarische ontdeckinghe in ’t Noorden, als van een ondoenelycke saecke gedissisteert, en door ’t Orientaelse ofte Occidentaelse India is, ’t door onvermogentheyd ofte cleyne curieusheyt van de Gouverneurs des conincx van Hispania (onaengesien de beter gelegentheyd als in Europa), niet onderleyd; immers van dien mogende Prince (als wesende noch ontydigh) niet gemandeert, gelyck mede by geen andere aldaer traffiqueerende Europeanen is onderstaen, tot dat in den jare 1639 (staende ons Gouverno) twee fluytscheepen onder den Comm. Mathys Quast, tot ontdeckinge van de Tartarische Oostcust, insonderheyd de befaemde Goud- en Silver-rycke eylanden by Oosten Japan, derrewaerts syn gesonden, die almede door ongeluckige toevallen, sonder yets nuttelycx te verrichten, wedergekeerd syn.

Maer dewyle uyt de gewenschte ontdeckinge van Cathaya en de daeromtrent gelegene landen groote nuttigheden, soo door commercien als conquesten, insonderheyd de voortplantinge van de ware christelycke religie, met goede redenen te hopen syn, en presentelycken geen christen prins, noch republique, daertoe beter gelegentheyd, als den vryen Nederlandschen staet ofte derselver Orientaelse Comp. heeft, welcx hooftstad Batavia daertoe bequaem gelegen is, en door de nadere gelegentheid van desselfs conquesten in Molucco en Formosa nae wensch geaccomodeert can worden, soo is dese dienstige ontdeckinge andermael by der hand te nemen, van de Heeren onse meesters de Novo gansch ernstigh gerecommandeert. En dewyle wy sulcx mede een nodige saecke achten, en de Comp. tegenwoordigh van schepen soo is versien, dat gevoughelyck sonder vercorting van de ordinarie commercien en oorloghs-besendingen wel twee bequaeme schepen connen affgesteecken werden, soo is in Raden van India gearresteert, dese pryselycke ontdeckinge niet langer te retarderen, maer ’t fluytschip Castricum met ’t jacht Breskens (van alle nootwendigheden wel versien) derrewaerts uyt te setten en UE. als bequaem en tot dese reyse wel genegen, ’t beleyd van dien te vertrouwen en bevelen, op seeckere hope dese importante voyagie met de nodige couragie, goed beleyd, en vereyschte pascientie, wel en met wackere voorsichtigheyd bestieren sult, soo als voor ons, t’uwer wedercomste, ten contentemente sult menen te verantwoorden. By den ervaren Piloot-Major Franchoys Jacobsen Visscher, UE. en andere curieuse personen, syn ons verscheyden wegen tot d’ontdeckinge van Tartaria en d’eylanden by Oosten Japan in schriftelycke vertoogen voorgesteld, die UE., om in desen daervan geen ontleding te doen, alle in copyen ter hand gesteld worden, opdat t’syner tyd daervan gediend cond syn. Alleen raken met een woord, wy Visschers en Verstegens opinie, van den cours tusschen Japan en Corea te nemen, mits d’onseeckerheyd van bequaemen doorgangh, en d’aparentie van veel droogten en clippen, al te periculeus en ongeraden achten, maer ons met uwe meyninge van den wegh by Oosten buyten Japan, door ruyme zee te nemen, als den seeckersten, confirmeren; te meer geensints connen opinieren, de Westelycke passaetwind in dat geweste by den somertyd soo crachtigh en gedurigh doorblaest, dat niet bequamelyck van de Oost nae de West geseyld can worden, gelyck sulcx op de reyse van den Commandeur Quast, onaengesien den laten herfsttyd, selfs 2 à 300 mylen buyten alle landen contrarie bevonden is, en over sulcx buyten twyffel in de maenden van Juny en July de Tartarise custen, van by Oosten Japan, bequaemelyck te beseylen syn, met groote aparentie, dat door de naegelegentheyd der landen, van de 40 graden Noordelyck op, in de Tartarischen oceaen, geen contra passaet, maer variable winden (als omtrent Europa) gevonden sullen worden. UE. sullen dan de ontdeckinge van Tartaria, by Oosten buyten om Japan, als door den bequaemsten en min periculeusten wegh, voorsichtelycken doen, en ’t naervolgende u daerinne tot een regel van Instructie laten dienen, nochtans met dien verstande, sulcx nae eysch van tyd, plaetsen en voorcomende gelegentheden, met advys van rade, soo te mogen corrigeren als den dienst van de Comp. tot erlangen van ons desseyn soude mogen vereysschen, ’t welck uwe goede experientie en vertrouwd beleyd bevolen laten.

Aanvanckelycken sullen UE. op morgen vrough, nae gedaene monsteringh, gesaementlyck onder seyl gaen, en uwen cours soodanigh nae Molucca stellen, als by aparte instructie is geordonneerd, waernaer u op de derrewaertse reyse in alles te reguleeren hebt.

Met lieff in Tarnata voor ’t casteel Maleya aengecomen wesende, sult onse neffensgaende brieven aen den vice-gouverneur Wouter Seroyen behandigen en desselfs ordre ten dienste van de Comp. obedieren, mitsgaders uwe schepen van water, brandhout en ’t gunt meer nodigh wesen mocht, ruymelycken versien, ’t scheepsvolcq, gedurende ’t aenwesen aldaer, met versche spyse wel ververschen en daervan op ’t vertreck behoorlyck provideren, waertoe aen den Heer Seroyen de nodige ordre gegeven werd, die u dienvolgens nae eysch en vermogen behulpigh wesen sal, waermede wy begeeren geenen tyd onnuttelyck sal doorgebracht worden, maar alles op ’t vlytighste soo cort beschicken, dat vóór ofte ten langhste in ’t begin van April, uwe importante reyse van daer beginnen moght. Doch sult alvorens met advys des Raeds een goeden seinbrieff formeren, waerin mede dient gedacht, soo de schepen door storm, ofte ander incident (dat God verhoede) van den anderen quaemen te versteecken, door wat middel weder bequaemelycxst byeen geraecken mochten, waaraen tot volvoeren van ons concept ten hooghsten gelegen is.

Nae becomen geryff van alle nootwendigheden sult (als geseght) op primo April ofte vroeger, de voyagie in den name Godes aenvangen, stellende den cours, als buyten Gilolo gecomen syt, Noord-Oostwaerts om, met de soele en variable winden, die er dit saysoen des jaers ordinairie in dat gewest waeyen, welcke hun op de Noorderbreedte van 10 à 15 graden omtrent ’t Zuid-Oosten vaststellen sullen, waermede dan allenxkens wat Noordelycker en recht door zee, nae de Oostcust van Japan seylen en ’t land op omtrent de 37 graden in ’t gesichte loopen sult. ’t Is seer aparent in dese passagie wel eenige onbekende ofte dependerende eylanden van de archipelago de St. Lasaro ofte Islas de las Veslas, anders genaemt de Ladrones, bejegenen sult, om welcken aen te doen geen tyd sal dienen gespilt, maer nae onbekende drooghten en clippen wel naerstigh uytgesien.

Wy verhopen gylieden omtrent 20 à 25 May de Oostcust van Japan aen boord sult hebben, van waer uwen wegh, langhs en in ’t gesichte van ’t land, soo lange Noord- en Noord-Westwaerts nemen sult, tot dat de cust haer Westelycker ontvalt, opdat in passant ervaren werde, hoe verre ’t uytterste van Japan om de Noord gelegen is, en off het land, dat by de Japanezen Jeso werd genaemt, op sulcken cours bejegenen en vernemen cond, ’t selve ’t vaste land van China off Tartaria sy, ofte wel een bysonder en tusschenbeyde gelegen land ofte een eyland te wesen, waermede wy verstaen oock geenen sonderlingen tyd consumeren sult, maar uwen cours soo langh Noord-Westwaert vervolgen, tot dat de cust van Tartaria ofte Cathaya ontdeckt, pogende sulcx soo Zuydelyck te doen, als den wind gedogen en ’t aengetogen land van Jeso toelaeten sal, ’t welck verhopen tusschen de 40 à 45 graden sal connen geschieden, als wanneer langhs de cust Noordwaerts, ofte soo die strecken mach, sult dienen te seylen, tot dat de rivieren Polisangi, de Cathayse zee-steden Jangio, Brema off soodanigen baeye, haeven ofte rivieren ontdeckt, daer de schepen bequaemelyck geberght connen worden, en waer steden, vlecken, ofte bevolckingh is, ten eynde ’s lands gelegentheyd in corten tyd soodanigh ondersocht en vernomen mach worden, als hier onder op syn plaetse omstandigh aangewesen werd.

’t Is grootelycx te vermoeden, UE. aen en omtrent de Cathayse cust wel eenige schepen, joncquen ofte vaertuyghen bejegenen sult; dewyle die meest den aerdkloot beschryven, niet alleen de Tartarische custen, maer den aengelegen oceaen seer scheep-ryck achten, affirmerende daer grooten coophandel van de omgelegen landen en eylanden met den anderen gedreven werd. Sulcx soo bevindende, dient gedurigh voorsichtigh op hoede te wesen en by bejegeningh van vaertuygh, daer tegen geen trots noch force te oeffenen, maer met beleefde bejegeninge en vriendelyck tractement, des volcx gunste trachten te winnen en scherpelyck de gelegentheyt hunner reysen te vernemen, oock waer de voornaemste havens en coopsteden, insonderheyt de riviere Polisangi en Jangio gelegen syn, door welcke en de bovengeschreven middelen wy niet willen twyfelen, off sult d’een off d’ander bequaeme rede en gepopuleerde plaetse in Tartaria ofte Cathaya omtrent 15 à 20 Juny connen aendoen, synde aldaer den soetsten somertyt en langhste dagen, dat d’ontdecking grootelycx accomoderen en de daeraen gelegene peryckelen seer verminderen sal.

Alle landen, eylanden, hoecken, bochten, inwycken, baeyen, rivieren, drooghten, bancken, sanden, reven, clippen en rutsen, die in dese ontdeckinge, soowel in den Oceaen, als op de custen van Japan, Jeso, Cathaya off Tartaria bejegenen en passeren sult, moeten UEd. perfect carteren en beschryven, alsmede de opdoeninge en gedaente wel affteyckenen, tot welcken eynde u een teykenaer mede gegeven werd, mede wel sorghvuldigh noterende op wat hooghte ofte breedte, hoedanige streckinge en distantie de custen, eylanden, capen, hooffden ofte hoecken, baeyen en rivieren van den anderen gelegen syn, wat kennelycke mercken, als bergen, heuvelen, boomen off gebouwen (waeraen men die mogt kennen) daer op te sien syn. Mede wat diepten en ondiepten van gronden, blinde clippen, affschietende reven aen de hoecken sullen gelegen wesen, hoe en op wat mercken die bequaemelyck te schuwen syn, item off de gronden hard, scherp, weeck, vlack opgaende ofte steyl syn, off men die op ’t lood magh aendoen ofte niet, op wat mercken men de beste anckerplaetsen in reden en baeyen vind, hoe de gaten en rivieren instrecken en te beseylen syn, wat winden in die gewesten waeyen, hoe de stroomen loopen, off ebbe en vloed hun nae de maen off winden reguleren, wat veranderingh van moessons, regen en drooghte bevind, voorders naerstelyck opserverende en noterende, daer ervaren stierlieden op te letten staet, en in ’t toecomende tot ’t bevaren van de ontdeckte landen dienstigh wesen can. Den bequaemen tyd des jaers, als ’t somerweder, lange dagen en corte nachten, sullen, als boven aengewesen is, tot de voorgenomen ontdeckingh en waernemingh van alle d’aengetogen saecken seer dienstigh syn, weshalven nergens tyd versuymen noch onnoodigh consumeren sult, maer als meermael geseyd, het beste van den somer en goed weder gebruycken, wanneer soowel by nacht als dagh sult connen voortseylen, ’t welck in ’t corten der dagen en by donckeremanen, om alles in ’t sicht te crygen, soo niet geschieden can, oversulcx daeraen, om spoedigh en in corten tyd veel t’ ontdecken, ten hooghsten gelegen is.

Echter om de Tartarise en Cathayse custen naer eysch wel t’ ontdecken, sal ’t nodigh wesen, nu en dan, ter gelegener tyd en bequaemer plaetsen, ten ancker te comen, altyd soeckende en kiesende soodanige baeyen ofte reden, daer met de minste peryckelen inlopen, leggen, vertrecken, en by toevallende winden ofte andersints bequaemelyck ruymen condt. Vooral sal in ’t landen met u cleyn vaertuygh groote sorgvuldigheyd en circumspecte voorsichtigheyd dienen gebruyckt, alsoo onseecker is wat soort van menschen dit onbekende deel van Tartarie besitten, ’t welcke soowel met rouwe, wilde, woeste barbaren als van geciviliseerde en gepoliceerde lieden can bevolckt wesen, waeromme altyd wel gewapend en op hoede wesen moet; want by experientie in alle gewesten des aerdcloots bevonden is, geene barbare-natien te vertrouwen syn, vermits gemeenlyck opinieren, dat het volcq, ’t welck hun soo onverwacht en vreemd verschynt, alleen comen om hare landen in te nemen; dat in ’t ondecken van America en d’Orientaelse landen, aen ’t verassen en doodslaen van veel sorghloose en lichtvertrouwende ontdeckers, menighmael tot ruyne hunner voyagies gebleecken is. Om welcke respecten de barbaren, die rencontreren en ter spraecke comen mocht, stadigh wel en minnelyck bejegenen sult, en cleyne afronten van dieverye ofte andersints, die aen d’onse mochten plegen, ongemerckt laten henengaen, om door ’t revengeren geen afkeer van ons te causeren, maer by alle doenelycke middelen pogen, hunlieden t’uwaerts te trecken, opdat te beter en spoediger de gelegentheden van haer en hare landen vernemen moght, insonderheyd off daer iets nuttelycx voor ons te verrighten is.

Altersbeschränkung:
0+
Veröffentlichungsdatum auf Litres:
16 Januar 2025
Umfang:
481 S. 3 Illustrationen
ISBN:
4064066340247
Verleger:
Rechteinhaber:
Bookwire
Download-Format:

Ähnliche Bücher