Buch lesen: "Mexiko"

Schriftart:

Anoniem

Mexiko


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066316952

Inhoudsopgave

De Aarde en haar Volken.

Mexiko.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

De Aarde en haar Volken.
Mexiko.

Inhoudsopgave


Het cypressen-bosch van Montezuma.

I.

Inhoudsopgave

Geschiedkundige bijzonderheden.

Veel vroeger dan de overige oorspronkelijke bewoners der nieuwe wereld, en lang voor de aankomst der Europeanen in Amerika, waren de oude inboorlingen van Mexiko1, de Tolteken en na hen de Azteken, tot eene vrij hooge mate van beschaving opgeklommen. Niet alleen weefden zij reeds zeer vroegtijdig tapijten en andere wollen stoffen en smeedden zij wapens en goud- en zilverwerk, maar zij waren ook bedreven in bouw-, beeldhouw-, schilder- en toonkunst, en beoefenden reeds lang vóór de ontdekking van Amerika door Columbus, met vrucht wetenschappen en letteren. Over de hoogte waarop zij in dit laatste opzicht stonden, zouden wij ongetwijfeld een veel grondiger oordeel kunnen vellen, wanneer niet, door den te ver gedreven geloofsijver der spaansche veroveraars, de gansche schat zoowel van handschriften als van schilderijen, dien onder anderen het paleis der oude Caciken of schatplichtige vorsten van Tezcuco bevatte, aan de vlammen was prijs gegeven.

Vooral waren de oude Mexikanen zeer bedreven in de bouwkunst. Even als bij de oude Egyptenaren, waren vele hunner bouwgewrochten pyramidaal-, andere echter ook kubiekvormig. Tot de meest bekende monumenten der oude mexikaansche architectuur behooren de pyramiden van Papantla, Teotizuacan en Cholula. Ofschoon de overoude „drijvende tuinen” der mexikaansche meren, en inzonderheid die van het niet ver van de hoofdstad gelegene Chalco-meer, beroemd zijn, stond echter, naar ’t schijnt, de landbouw bij de Azteken op geen zeer hoogen trap van ontwikkeling. Deze weelderige vrucht- en bloemwaranden, chinambas geheeten, die werkelijk voor een gedeelte „drijven”, en uit reusachtige, door riet, wortels en boomtakken saamverbonden aardschollen of zoden bestaan, hadden vermoedelijk hare wording te danken aan de behoefte, om de hoofdstad en andere groote steden van groenten te voorzien.

In weerwil van hunne vordering in beschaving, kenmerkte de heidensche eeredienst der Azteken zich door eene verregaande barbaarschheid: de menschenoffers, ter eere van den god Huitzilopochtli, werden misschien nergens elders op zoo groote schaal gebracht. Het christendom, door Cortez en zijne opvolgers in het land ingevoerd, maakte hieraan een einde; ofschoon men daarbij, zoowel als bij de verovering des lands, op eene wijze te werk ging, die weinig tot eer van de belijders der nieuwe eeredienst strekte. Alle pogingen van Karel V en van andere goedgezinden om verdraagzaamheid te kweeken en het lot der nieuwe onderdanen van het spaansche rijk te verzachten, leden schipbreuk eensdeels op de geestdrijverij der veroveraars, anderdeels op het ruwe egoïsme van het heir van gelukzoekers, dat de nieuwe wereld weldra overstroomde. De onderkoningen die over Mexiko regeerden en in den regel slechts voor vijf jaren benoemd werden, waren insgelijks meestal enkel op het bijeenschrapen van rijkdommen en op de strenge handhaving van hun gezag bedacht; zoodat de afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners des lands dikwijls maar al te veel reden hadden om aan hunne vaderen de vrijheid en welvaart te benijden, door dezen onder Montezuma en diens voorgangers genoten.

Slecht bestuurd, aan de belangen van het moederland opgeofferd, door eene bekrompene handelsstaatkunde in zijne ontwikkeling belemmerd, was het geen wonder dat Mexiko zich in 1810 de omstandigheden waarin Spanje verkeerde ten nutte maakte om, even als de overige spaansche koloniën in Amerika, het juk af te werpen, waaronder het drie eeuwen gezucht had. Dat die omwenteling in het mexikaansche rijk op eene meer geweldige wijze dan ergens elders in spaansch Amerika plaats had, was zeker voor een goed deel hieraan te wijten, dat in Mexiko een groot gedeelte der bevolking uit geboren Spanjaarden bestond.

Nadat Ferdinand VII op den troon hersteld was, deed hij wel herhaalde pogingen om zijne verloren bezittingen in Amerika te heroveren, maar dit plan moest hij ten laatste opgeven; en in 1821 werd het gemeenebest Mexiko door het voormalige moederland voor onafhankelijk verklaard. Men besloot daarop, den republikeinschen tegen den monarchalen regeeringsvorm te verwisselen; en daar Spanje weigerde de kroon voor een zijner Infanten aan te nemen, werd in Februari 1822 de overste Iturbide, onder den naam van Augustinus I, te Mexiko tot Keizer uitgeroepen: eene waardigheid, waarvan hij echter na verloop van een jaar reeds weder afstand moest doen, daar de republikeinsche partij hem te sterk werd. Het keizerrijk werd nu in een bondgenootschappelijk gemeenebest hervormd, samengesteld uit één bondgenootschappelijk district, een zeker aantal staten en „territoriën.”

In de veertig jaren die sedert verliepen, werd Mexiko door niet minder dan tweehonderdzestig opstanden geschokt, bij welke nu eens de „republikeinen”, ook liberalen of federalisten genoemd, dan weder de conservatieven, anders voorstanders van een gecentraliseerd gezag of clericalen geheeten, de bovenhand behielden. Het behoeft nauwelijks opmerking, dat die onophoudelijke opstanden en omwentelingen de reeds zoozeer verzwakte krachten en verwaarloosde hulpbronnen des lands met volslagen ondergang bedreigden. Wat de gevolgen van dezen toestand waren, en hoezeer de innerlijke ontwikkeling des lands daaronder leed, blijkt genoegzaam uit het feit, dat een land zoo vruchtbaar en rijk als Mexiko, ’t welk bovendien aan twee wereldzeeën gelegen is, eene oppervlakte van meer dan 40,000 vierk. mijlen en nagenoeg 8,300,000 inwoners heeft, van 1856—1860 gemiddeld voor niet meer dan 18 millioen guld. ’s jaars uitvoerde, tegen een invoer van ruim 31 millioen guld.; terwijl Peru, met eene oppervlakte van 24,000 vierk. mijlen en eene bevolking van 2,500,000 zielen, in 1862 voor 83 mill. gld. uitvoerde en voor 68 mill. gld. invoerde; en het zooveel minder belangrijke Venezuela, dat iets meer dan anderhalf millioen inwoners telt, in hetzelfde jaar nog voor 40 mill. gld. in zijnen handel omzette. De toestand waarin het mexikaansche rijk verkeerde, deed dan ook duchten, dat het, wat vroeger of later, eene maar al te gemakkelijke prooi der noord-amerikaansche Unie zou worden, waarin reeds achtereenvolgens het goudrijke Opper-Californië, Texas en Nieuw-Mexiko, vroeger deelen van het mexikaansche gebied, werden ingelijfd. Een der gevolgen van deze gebeurtenis zou toen voorzeker geweest zijn de wederinvoering in het veroverde rijk van de slavernij, die er reeds vóór jaren werd afgeschaft.

Toen nu in 1857 alweder eene ernstige worsteling ontstond tusschen de behoudende partij met den president Miramon, en de republikeinsche met Benito-Juarez aan ’t hoofd, besloten Frankrijk, Spanje en Groot-Brittannië, op de dringende aanzoeken hunner in Mexiko gevestigde onderdanen, tot het uitzenden eener vereenigde expeditie, ten einde van de republiek waarborgen voor de veiligheid der zich op haar gebied bevindende vreemdelingen en voldoening der aan dezen verschuldigde gelden te eischen, welke een bedrag van nagenoeg 41 millioen piasters of ruim 102 millioen gulden beliepen.

De uitslag dier belangrijke expeditie is bekend. Aanvankelijk vermoedde men dat Spanje de herovering zijner oude kolonie in het schild voerde, en zich ter uitvoering van dit plan van de hulp van Frankrijk en Engeland verzekerd had. Nauwelijks evenwel waren de eskaders uitgezeild, of er verbreidde zich een geheel ander gerucht, dat namelijk keizer Napoleon’s geheime bedoeling met de onderneming was, om aan den jammerlijken toestand van Mexiko, des noods door omverwerping van den bestaanden regeeringsvorm, een einde te maken. Nadat dit gerucht zich bevestigd had, trokken de beide bondgenooten des keizers zich terug; en nu legde hij zijn wel van vele zijden aangevallen en wat den vorm betreft geenszins onberispelijk, maar metterdaad praktisch en menschlievend plan geheel alleen ten uitvoer.

Eene maand nadat de Franschen, na Juarez wel niet geheel ten onder gebracht, maar toch onschadelijk gemaakt te hebben, de hoofdstad binnenrukten, werd door eene vergadering van mexikaansche notabelen, met 231 tegen 19 stemmen, tot de invoering eener „erfelijke getemperde monarchie”, met een katholiek souverein, den titel van keizer voerende, besloten, en te gelijker tijd bepaald, dat de keizerlijke kroon in de eerste plaats aan den aartshertog Ferdinand Maximiliaan van Oostenrijk, oudsten broeder van keizer Frans Joseph, zou worden aangeboden. De aartshertog—een man, gunstig bekend om zijne schranderheid, humaniteit en andere eigenschappen, geschikt om de liefde van een volk te winnen—aarzelde niet deze gewichtige roeping te aanvaarden; en het is voorzeker de wensch van alle weldenkenden in de beide halfronden, dat de offers door Frankrijk gebracht, en de ijver waarmede de nieuwe monarch bezield is, heilrijke vruchten zullen dragen, en het dezen laatste vooral spoedig gelukken moge de noodlottige partijschap die de Mexikanen verdeelt, uit te roeien.2

Wij willen in de eerste plaats de hoofdstad van het oude rijk van Montezuma en haren naasten omtrek bezoeken, om vervolgens nog een paar andere punten van het mexikaansche gebied aan te doen.

II.

Inhoudsopgave

De vallei van Mexiko.—De Desague van Huehuetoca.—De hoofdstad.—De Kathedraal.—De Plaza de Armas.—De Plazuelo van Santo Domingo.—Het klooster van Barmhartigheid.—De Salto del Agua.—Markten.

De vallei, te midden waarvan zich het Venetië der Azteken verheft, vormt een ovaal van achttien mijlen in de lengte en van ongeveer twaalf in de breedte, en wordt door een krans van porfierrotsen omgeven, wier afwisselende lijnen het schilderachtigst effect te weeg brengen. De Iztaccihuatl of Witte-Vrouw, die door den glans van haren altijd besneeuwden top, het oog schier verblindt, en de Popocatepl of Rookende Berg, de hoogste bergspits van Mexiko en wellicht de sierlijkste vulkaan der gansche wereld, die beiden ten zuidwesten van de hoofdstad liggen, vormen als ’t ware den sluithaak dezer prachtige keten. Hoewel de laatste dezer bergen zijnen naam nog maar al te zeer rechtvaardigt, en de bewoners der hoofdstad zich steeds met angst en schrik de geduchte aardbeving van 1858 herinneren, is de mexikaansche vallei voor het tegenwoordige veel minder vulkanisch dan vroeger.

Zes groote meren nemen een aanzienlijk deel van de oppervlakte der vallei in. Tegenover Huehuetoca ligt het meer Zumpango; daarna volgen, in eene zuidelijke richting, die van Jaltocan en San-Cristoval, het groote meer van Tezcuco; en eindelijk die van Jochimilco en Chalco, welke slechts door een straatweg vaneen worden gescheiden. Van al die meren is het water zoet, uitgenomen van het Tezcuco-meer, welks water brak is.

Groote belangstelling verdient in deze vallei de vermaarde „desague” van Huehuetoca: een dwars door het hooge gebergte gegraven kanaal, ter afleiding van de rivier Guantitlan—die zich vroeger in het Zumpango-meer stortte, hetgeen veelvuldige overstroomingen ten gevolge had—naar de ruim 200 voet lager gelegen Rio de Tula, die zich in den mexikaanschen zeeboezem ontlast. Dit reusachtige werk, in 1607 begonnen, werd eerst in 1789 voltooid, hoewel er schier onophoudelijk 15,000 Indianen aan arbeidden. Het kostte millioenen schats en, zoowel ten gevolge van vermoeienis, ziekte en harde behandeling, als van herhaalde instortingen van bergwanden, duizenden menschenlevens; maar nog bereikt het in verre na niet het nut, dat het zou kunnen opleveren wanneer het met het Tezcuco-meer in gemeenschap was gebracht, daar alsdan de hoofdstad niet langer, zoo als thans, aan overstroomingen blootgesteld en, bij droogte, van toevoer van water uit de bovenvallei verstoken zou zijn. In 1804 werd wel door den onderkoning Iturrigaray, op raad van Humboldt, last tot voltooiing der grootsche onderneming gegeven, maar de geduchte hinderpalen die het terrein tusschen Mexiko en Huehuetoca oplevert, deden den arbeid staken.

Mexiko, niet slechts de grootste en schoonste stad des rijks, maar ook de prachtigste stad van Noord-Amerika en misschien regelmatiger en grootscher gebouwd dan eenige andere stad der wereld, droeg, lang voordat Europa het bestaan van Amerika nog vermoedde, den naam van Tenochtitlan. Deze residentie der Aztekenkoningen deed geenszins onder in luister en grootte voor de hedendaagsche hoofdstad van het mexikaansche rijk. Men kan dit alleen reeds nagaan uit de schier fabelachtige berichten, die tot ons kwamen omtrent hare talrijke en weidsche tempels en het beroemde paleis van Montezuma, dat twintig poorten of ingangen had, onder zijn overgroot aantal zalen er ééne bezat die drie duizend personen kon bevatten, en waarin zich onder anderen eene menagerie bevond, welker vogelen-afdeeling alleen, naar verzekerd wordt, zóó groot was, dat er driehonderd personen aan verbonden waren. Van deze luisterrijke oude hoofdstad, die door Cortez nagenoeg geheel geslecht werd,—voornamelijk omdat zij sedert onheugelijke tijden het tooneel eener afgoderij was geweest die, volgens de getuigenis van Zumarragia, den eersten bisschop van Mexiko, jaarlijks meer dan 20,000 menschenoffers eischte;—is niets meer in wezen; hoewel er van tijd tot tijd nog genoeg overblijfselen worden opgegraven, om de nasporingen der geschied- en oudheidkundigen te beloonen.


Aguadores.

Het hedendaagsche Mexiko, dat ruim 13,000 voet van het Tezcuco- en omstreeks tweemaal zoover van het Chalco-meer verwijderd, en ruim 7000 voet boven den spiegel der zee verheven ligt, telt eene bevolking van 206,000 zielen. Die bevolking bestaat, even als door het geheele land, uit de navolgende rassen: Guachupinen (Europeanen, meestal Spanjaarden), Creolen (inboorlingen van onvermengd spaansch of europeesch ras), Mestizen (afkomelingen van blanken en Indianen), Mulatten (afkomelingen van blanken en negers), Zambos (afkomelingen van negers en Indianen); voorts uit enkele echte Indianen (onverbasterde afkomelingen van de oorspronkelijke bewoners des lands), die zich evenwel meestal ver van de steden ophouden; eindelijk uit de onderrassen, die uit het kruisen dezer verschillende hoofdrassen ontstonden.

De huizen der hoofdstad, over ’t geheel stevig gebouwd, hebben meerendeels twee hooge verdiepingen en ruime vertrekken, terwijl de gevels schier zonder uitzondering witgepleisterd of met kalk bestreken zijn. Op de hoeken der huizen bevinden zich nissen met het beeld der H. Maagd of van den eenen of anderen heilige. De daken of azoteas (terrassen) zijn plat en veelal met eene sierlijke balustrade omgeven. De straten zijn fraai geplaveid, van weêrszijden van trottoirs voorzien en meest allen breed en rechthoekig.

Die kostenlose Leseprobe ist beendet.

€1,99
Altersbeschränkung:
0+
Veröffentlichungsdatum auf Litres:
16 Januar 2025
Umfang:
73 S. 22 Illustrationen
ISBN:
4064066316952
Verleger:
Rechteinhaber:
Bookwire
Download-Format: