Buch lesen: "De Vrouw: Haar bouw en haar inwendige organen"
Aletta H. Jacobs
De Vrouw: Haar bouw en haar inwendige organen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066310721
Inhoudsopgave
Vierde druk. Deventer. Æ. E. Kluwer.
Voorwoord.
Bij den tweeden druk.
Bij den derden druk.
Bij den vierden druk.
Inleiding.
Eerste afdeeling.
De Huid.
Het Geraamte.
De Spieren.
De Bloedsomloop.
Het Zenuwstelsel.
De Spijsverteringsorganen.
De Ademhalingsorganen.
De Pisorganen.
Tweede afdeeling.
De Geslachtsorganen.
Beschrijving der platen.
Plaat II. De Spieren.
Plaat III. De Bloedsomloop.
Plaat IV. Het zenuwstelsel.
Plaat V. Het Geraamte (gedeeltelijk) en de inhoud van borst- en buikholte.
Vierde druk.
Deventer. Æ. E. Kluwer.
Inhoudsopgave
Stoomdrukkerij—»Davo«—Deventer.
Voorwoord.
Inhoudsopgave
De schromelijke onbekendheid van velen, zelfs van ontwikkelden, met het kunstig samenstel van hun eigen lichaam heeft mij meermalen getroffen.
Vooral van vrouwen was ik dikwerf getuige van de gebrekkige kennis van het lichaam in het algemeen en van den bouw, de ligging en de verrichting harer geslachtsorganen in het bijzonder.
Doch ook niet zelden vernam ik de begeerte naar lektuur om zich die kennis eigen te maken. Vakboeken, die het onderwerp gewoonlijk zeer uitvoerig behandelen, konden daarvoor moeilijk in aanmerking komen. Beknoptheid toch is voor dergelijke lektuur voor leeken een eerste vereischte. Daarom vond ik in het verzoek van den uitgever, bij de hierachter gevoegde beweegbare platen den tekst te leveren, gereede aanleiding, om te trachten een beschrijving te geven, die aan dit vereischte voldoet.
In aanmerking genomen de rijke stof, die hier ter bewerking werd geboden, is de beschrijving ongetwijfeld beknopt. Mocht daaronder evenwel de volledigheid of bevattelijkheid hier en daar geleden hebben, dat de welwillende beoordeelaar dan rekening houde met den steeds tijdens de bewerking gekoesterden wensch, om het onderwerp in zoo klein mogelijk bestek te behandelen.
Bij de afbeeldingen in den tekst vermeldde ik de bron, waaraan zij werden ontleend. Voor de indeeling der stof volgde ik in hoofdzaak en ook hier en daar voor den inhoud het pas verschenen Duitsche werkje van Dr. G. Panzer: »Die Frau. Anschauliche Darstellung des weiblichen Körpers.«
Amsterdam 1899. A. H. J.
Bij den tweeden druk.
Inhoudsopgave
Met erkentelijkheid gewaag ik van de welwillende beoordeeling, die mijn arbeid mocht ten deel vallen. De geleverde kritiek was niet van dien aard, dat zij tot wijzigingen van eenig belang aanleiding gaf. Trouwens, nog slechts weinige maanden verliepen, sedert de eerste druk verscheen, zoodat het zeer wel mogelijk is, dat meer en ernstiger kritiek nog volgt. In welken geest deze echter ook moge uitvallen, dit kan met voldoening geconstateerd worden, dat uit den thans reeds noodig geworden tweeden druk blijkt, hoezeer het werkje voorziet in de sedert lang gevoelde behoefte aan een beknopte, populaire beschrijving van het lichaam in het algemeen en van den bouw, de ligging en de verrichting der vrouwelijke geslachtsorganen in het bijzonder.
Amsterdam 1899. A. H. J.
Bij den derden druk.
Inhoudsopgave
Spoediger dan ik had durven verwachten, verraste de uitgever mij met de tijding, dat reeds een derde druk van mijn arbeid noodig is. De wensch van den uitgever om den prijs van het werkje aanmerkelijk te verlagen, ten einde een grooter kring van lezers te krijgen, werd door mij ernstig overwogen. Want ook mij kan het niet anders dan aangenaam zijn, dat het doel, waarmede de arbeid werd ondernomen, welk doel in het voorwoord van den eersten druk is kenbaar gemaakt, zoo volledig mogelijk worde bereikt.
Het bleek echter, dat voor een goedkoope uitgave de beweegbare platen, aan het eind van het boekje geplaatst, moesten worden opgeofferd. En dit achtte ik, in verband met de zeer beknopte behandeling van de stof en de menigvuldige verwijzingen naar die platen, ten eenenmale ongewenscht.
De derde druk gaat derhalve de wereld in als de beide eerste, slechts werd hier en daar, ter verduidelijking van den tekst, een kleine verandering gebracht in de redactie.
Den wensch, dat het onthaal van deze oplaag voor de vroegere niet zal behoeven onder te doen, kan ik niet nalaten hier te uiten.
Amsterdam, 1900. A. H. J.
Bij den vierden druk.
Inhoudsopgave
Toen ik mij neerzette, om bij de hierachter gevoegde beweegbare platen van het vrouwelijk lichaam den tekst te leveren, kon ik weinig vermoeden te voorzien in een blijkbaar zoo groote behoefte.
Dat dit boek in betrekkelijk weinig jaren reeds een vierden druk beleeft, bewijst, dat de hedendaagsche vrouwen en meisjes niet langer in onwetendheid willen verkeeren omtrent den bouw van haar lichaam en de ligging en verrichting harer geslachtsorganen.
De betrekkelijk hooge prijs, voornamelijk een gevolg van de groote kosten der beweegbare platen, waren oorzaak, dat het niet kon komen in handen dier vrouwen, bij wie groote financieele draagkracht ontbreekt. Het was mij daarom een zeer welkome tijding, dat de uitgever er in is geslaagd, den vierden druk voor een merkbaar lageren prijs te kunnen aanbieden en daardoor den vrouwen, voor wie het boek eigenlijk in de eerste plaats werd samengesteld, de gelegenheid te openen het te kunnen koopen.
Moge het blijken, dat de nieuwe lezerskring, die het thans kan bereiken, er even groote belangstelling voor koestert.
Amsterdam, 1910. A. H. J.
Inleiding.
Inhoudsopgave
De mensch is samengesteld uit verschillende organen, waarvan de geslachtsorganen dienen tot instandhouding van de soort, al de overige tot behoud van het individu.
Terwijl bij het mannelijk en vrouwelijk individu de geslachtsorganen verschillend zijn, valt voor de overige organen geen wezenlijk onderscheid waar te nemen, noch wat samenstelling, noch wat verrichting betreft.
Hun vorm evenwel verschilt dikwijls. Deze vormverschillen, ieder afzonderlijk gering, zijn te zamen genomen zoo groot, dat wij dadelijk het onderscheid tusschen man en vrouw opmerken.
Zoo is in het algemeen genomen de vrouw niet zoo groot en zwaar gebouwd als de man. Bij haar meer vetafzetting in het onderhuidsch celweefsel, waardoor haar spieren en de uitsteeksels der beenderen nauwelijks zichtbaar zijn; bij hem daarentegen de spieren gemakkelijker waarneembaar en de beenige uitsteeksels duidelijker in het oog vallend.
Borst, buik en billen zijn bij de vrouw eenigszins boogvormig; bij den man min of meer rechtlijnig.
De schouderbreedte is bij vrouwen kleiner dan de heupbreedte, bij de mannen is juist het omgekeerde het geval; hiermee staat in verband, dat bij de vrouwen ook de borst smaller is dan de buik en het tegenovergestelde weer bij de mannen valt waar te nemen.
De lichaamslengte in haar geheel genomen leert ons, dat bij vrouwen relatief het hoofd langer, de hals korter, de romp langer en de armen en beenen korter zijn dan bij mannen. Vooral de betrekkelijk lange romp en korte beenen van de vrouw zijn opvallend. Haar dijen zijn aanmerkelijk korter en breeder dan van den man en iets binnenwaarts geplaatst, doordien de dijbeenderen onder een eenigszins anderen hoek in het heupgewricht staan.
Tot den leeftijd van 9 à 10 jaren zijn de jongens in den regel grooter dan de meisjes; daarna tot aan de puberteitsjaren, den geslachtsrijpen leeftijd, zijn meisjes grooter en zwaarder dan jongens van denzelfden leeftijd. Na dien tijd gaan de jongens weder sterker groeien en overtreffen spoedig de meisjes in lengte en gewicht. Jongens blijven, hoewel langzaam, tot hun 23e jaar groeien, terwijl meisjes reeds op 20-jarigen leeftijd den vollen wasdom bereikt hebben.
Na deze algemeene beschouwing zal in de volgende hoofdstukken worden uiteengezet, in hoever de verschillende organen van het lichaam tot de vorming van het vrouwelijke type bijdragen.
Eerste afdeeling.
Inhoudsopgave
De Huid.
Inhoudsopgave
De huid (cutis), waarmede het geheele menschelijke lichaam is overtrokken, is bij de vrouw zachter en fijner dan bij den man. Zij bestaat uit drie opvolgende lagen: opperhuid (epidermis), lederhuid (corium of derma) en onderhuidsch celweefsel. Bij het Kaukasische menschenras (waartoe wij behooren) is de huid geel-wit van kleur; in de okselholte, aan borsttepel en tepelkring, alsmede aan de uitwendige geslachtsdeelen neemt zij een donkerder tint aan.
De huid bevat haren, smeer- en zweetklieren. De in de huid wortelende haren zijn bij den man op meer plaatsen aanwezig dan bij de vrouw. Bij de vrouw komen zij voor op het behaarde gedeelte van het hoofd, hier zelfs in rijke hoeveelheid, vervolgens in de okselholte en op de schaamdeelen; bij vele vrouwen ontwikkelen zich op 45- à 50 jarigen, den zoogen. climacterischen leeftijd, ook op de lip en de kin dikke, sterke haren, die bij sommigen harer een werkelijken baard vormen.
De smeerklieren geven een vettige substantie af, welke langs het haar naar buiten treedt. Zij zijn evenals de haren en de zweetklieren in de twee bovenste lagen van de huid gelegen.
In de derde laag, het onderhuidsch celweefsel, pleegt zich vet op te hoopen; bij de vrouw is dit in zoo aanzienlijke mate het geval, dat de vormen hierdoor een voor haar karakteristieke volheid en ronding verkrijgen.
De huid heeft verschillende bestemmingen te vervullen. Zij is zintuig voor het gevoel, orgaan van afscheiding (zweet en huidsmeer) en helpt mede de inwendige lichaamstemperatuur op bepaalde hoogte te houden.
Het Geraamte.
Inhoudsopgave
De grootte van het lichaam en de lichaamsgestalte worden in hoofdzaak bepaald door de beenderen, die onderling verbonden het geraamte (sceleton) vormen. Zij worden verdeeld in lange of pijpbeenderen, breede of platte beenderen en korte beenderen. Sommige beenderen, zooals de schedelbeenderen, kunnen zich ten opzichte van elkander niet bewegen; andere, zooals die der ledematen, wèl. De beweging komt tot stand in de gewrichten. Deze worden gevormd, doordien twee tegen elkander passende en beweeglijke beenuiteinden door een gemeenschappelijk kapsel worden omgeven en aldus los aan elkander zijn verbonden. Over de gewrichtskapsels heen liggen banden (ligamenta), die de verbinding versterken.
Het geraamte wordt ingedeeld in schedel, romp en ledematen.
De schedel is samengesteld uit 22 beenderen, die grootendeels behooren tot de breede, platte beenderen; 8 er van dienen tot vorming van de hersenpan (cranium), de 14 overige zijn de aangezichtsbeenderen (ossa faciei). Met uitzondering van het onderkaaksbeen, zijn al de beenderen van het hoofd vast en onbeweeglijk met elkaar verbonden.
Er is slechts een zeer gering onderscheid in de schedels van mannen en vrouwen. Alleen bij nauwkeurige vergelijking ziet men de ontleedkundige verschillen aan sommige onderdeelen van de beenderen. Het voornaamste en meest in het oog vallend verschil is, dat de schedel van de vrouw lager en vlakker is dan die van den man en dat dientengevolge de bovenste rand van het voorhoofd met de vlakte van de hersenpan bij de vrouw een afgeronden hoek vormt, daarentegen bij den man deze overgang eenigszins schuin naar boven loopt. De schedelbeenderen zijn bij mannen dikker dan bij vrouwen.
De romp bestaat uit de wervelkolom (columna vertebralis), het borstbeen (sternum) en de ribben (costae). Hoewel het uit een ontleedkundig oogpunt niet juist is, rekent men toch gewoonlijk bij den romp ook het bekken. Dit bestaat uit drie deelen, de heupbeenderen, het heiligbeen en het stuitbeen.
De heupbeenderen nu moest men eigenlijk bij de ledematen rangschikken, evenals dit geschiedt met sleutelbeen en schouderblad. Het heiligbeen en het stuitbeen echter maken deel uit van de wervelkolom en zijn te beschouwen als onderling vergroeide wervels. Overigens bestaat de wervelkolom uit wervels, die hoewel stevig aan elkaar verbonden, toch ten opzichte van elkander beweeglijk zijn.
Men onderscheidt 7 hals-, 12 borst- en 5 lendenwervels.

Fig. 1. Wervelkolom. (Heitzmann.)
aa. halswervels. bb. borstwervels. cc. lendenwervels. d. voorgebergte. e. heiligbeen. f. stuitbeen.
De wervelkolom is aan het halsgedeelte eenigszins naar voren, aan het borstgedeelte sterk naar achteren en aan het lendengedeelte weder sterk naar voren gebogen. De sterkste buiging naar voren valt samen met den ondersten rand van den ondersten lendenwervel en heet daar voorgebergte (promontorium). Fig. 1 d.
De vrouwelijke wervelkolom heeft in verhouding een langer lendengedeelte dan de mannelijke, de bocht naar voren begint iets hooger.
De borstkas (thorax) wordt gevormd door het borstbeen en de ribben. Het borstbeen (sternum), waaraan men de greep (manubrium), kling (corpus) en punt (processus xyphoideus) onderscheidt, is zijdelings met 7 ribben verbonden. Fig. 2..
Het vrouwelijk borstbeen heeft een breeder greep en een smaller, langer kling dan het mannelijke.
De borstkas telt twaalf paar ribben. De 7 met het borstbeen vergroeide heeten ware ribben (costae verae), de 5 onderste paren, die het borstbeen niet meer bereiken, noemt men valsche ribben (costae spuriae).
Bij de vrouwen zijn de ribben niet zoo sterk gebogen als bij de mannen, terwijl bij haar de twee paar eerste ribben betrekkelijk langer zijn.
De vrouwelijke borstkas vertoont in haar geheel een ronderen vorm dan de mannelijke. Zij is korter, smaller, maar wijder.
Bij vrouwen, die nauwsluitende corsetten dragen, zich rijgen, zooals men het noemt, schuiven de valsche ribben over elkander en wordt de ruimte van de borstkas verkleind. Zoowel de borst als de buikorganen worden hierdoor van hun plaats gedrongen.
De beenderen van de bovenste en onderste ledematen bestaan uit verschillende afdeelingen. Aan de bovenste ledematen onderscheiden wij schouder, bovenarm, onderarm en hand. De schouder bestaat uit sleutelbeen (clavicula), Plaat V No. 13, en schouderblad, (scapula), Plaat V No. 17. Het sleutelbeen van de vrouw is naar verhouding langer dan dat van den man.

Fig. 2 Borstkas en Wervelkolom (Heitzmann).
a. greep van het borstbeen.
b. middelstuk of kling van het borstbeen.
c. punt van het borstbeen.
De bovenarm bezit slechts één been, het bovenarmbeen (os humeri), Plaat V No. 18, dat bij de vrouw korter is dan bij den man. De onderarm is samengesteld uit ellepijp (ulna) en armpijp (radius).
Aan de hand onderscheidt men den uit 8 kleine beenderen gevormden handwortel (carpus), de 5 middelhandsbeenderen (metacarpi) en de beenderen van de 5 vingers (phalanges digitorum manus).
De handen van vrouwen zijn in den regel korter en smaller dan die van mannen.
De onderste ledematen bestaan, voor zoover wij het heupbeen buiten beschouwing laten, uit bovenbeen, onderbeen en voet.
Het bovenbeen bestaat alleen uit het dijbeen (os femoris), Plaat V No 23, dat bij vrouwen aanmerkelijk korter is dan bij mannen. Ook is de stand van het bovenbeen ten opzichte van den romp bij vrouwen anders. Bij de vrouw loopen de bovenbeenen van boven naar beneden min of meer naar elkaar toe, en zijn tegelijkertijd eenigszins buitenwaarts gedraaid.
Het onderbeen bestaat uit scheenbeen (tibia) en kuitbeen (fibula).
De beenderen van den voet worden, evenals die van de hand, verdeeld in beenderen van den voetwortel (ossa tarsi) van den middelvoet (ossa metatarsi) en van de teenen (phalanges digitorum pedis). Vrouwenvoeten zijn korter en breeder dan mannenvoeten.
Thans keeren wij terug tot het bekken, dat, zooals gezegd is, gevormd wordt door het heiligbeen, het stuitbeen en de beide heupbeenderen.
Aan het geraamte is het verschil in geslacht nergens zoo duidelijk merkbaar als aan het bekken. Het vormverschil van dit lichaamsdeel is van groote beteekenis voor de taak, die het gedurende de zwangerschap en bij de bevalling vervult.

Fig. 3. Rechter heupbeen, van de buitenzijde gezien (Heitzmann).
De fijne, dwarsgestreepte lijntjes over de heupkom getrokken geven de plaats aan waar de drie afzonderlijke beenderen van het heupbeen samenkomen en vergroeien. a. darmbeenskam. b. heupkom. c. neerdalende tak van het zitbeen. d. opklimmende tak van het zitbeen. e. horizontale tak van het schaambeen. f. neerdalende tak van het schaambeen. g. foramen obturatum (gesloten gat). hh. plaats, waar het heupbeen zich met het andere vereenigt en de schaambeensvereeniging ontstaat.
Het heiligbeen (os sacrum), Fig. 4 d, dat tusschen de beide heupbeenderen als ʼt ware ingeschoven en onbeweeglijk daarmede verbonden is, bestaat uit 5, tot één geheel vergroeide, valsche wervels. De vergroeiing begint meestal in het 16e levensjaar en eindigt tegen het 30e jaar. De wervels zijn zoodanig aaneengegroeid, dat het heiligbeen van voren een holle en van achteren een bolle vlakte heeft.
Het heiligbeen van een vrouw is breeder, korter en minder gebogen dan dat van een man; ook is zijn lengteas meer naar achteren gericht. Van den vorm van het heiligbeen hangt grootendeels de grootte en gedaante van het bekken af, zoodat dit been het meest bijdraagt tot vorming van het geslachtstype. De zichtbare holten in het heiligbeen dienen tot doortocht van zenuwen en bloedvaten; het heiligbeen is met het stuitbeen (os coccygis), Fig. 4 e, beweeglijk verbonden.
Het heupbeen (os innominatum), Fig. 3, dat een pendant van het schouderblad genoemd kan worden, wordt gevormd door de beenige vergroeiing van drie afzonderlijke stukken, waarvan het grootste en bovenste stuk het darmbeen (os ileï), het onderste het zitbeen (os ischiï) en het zijdelingsche het schaambeen (os pubis) genoemd wordt. Eerst op ongeveer 16-jarigen leeftijd is de volkomen vergroeiing dezer drie deelen voltooid.
Het darmbeen ontleent zijn naam aan de taak, die het vervult om een deel van de darmen te dragen. Zijn bovenste rand is boogvormig gekromd en draagt den naam van darmbeenskam (crista ossis ileï), Fig. 3 a; die rand is bij de meeste menschen gemakkelijk door de buikbekleedselen heen te voelen.
Het zitbeen wordt verdeeld in drie deelen: het lichaam, den neerdalenden tak en den opklimmenden tak. Het lichaam vormt het onderste gedeelte van de heupkom. De nederdalende tak, Fig. 3 c, eindigt van onderen in een sterken knobbel, den zitbeensknobbel (tuberositas ossis ischiï), waarop bij het zitten de geheele lichaamslast rust.
Het schaambeen wordt verdeeld in een horizontalen en een neerdalenden tak. De horizontale tak, Fig. 3 e, helpt nog mede aan de vorming van de heupkom, Fig. 3 b. Met een breede, ruwe vlakte, Fig 3. h h, grenst hij aan den gelijknamigen tak van de andere zijde en is daarmede verbonden. Deze verbinding heet schaambeensvereeniging (symphysis ossium pubis). Fig. 4 a.

Fig. 4. Mannelijk bekken, van voren (Heitzmann.)
a. schaambeensvereeniging. b. ingang van het kleine bekken. c. voorgebergte. d. heiligbeen. e. stuitbeen. f. darmbeen.
Die kostenlose Leseprobe ist beendet.