Buch lesen: "De Dominee en zijn Gemeente"

Schriftart:

Ian Maclaren

De Dominee en zijn Gemeente


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066313081

Inhoudsopgave

INLEIDING.

I.

HOE MEN HET MEESTE NUT TREKT VAN EEN PREEK.

II.

HOE EEN GEMEENTE HAAR DOMINEE TOT DE GROOTST MOGELIJKE VOLKOMENHEID BRENGT.

III.

HET „ CANDY-PULL ” STELSEL.

IV.

DE OPROERMAKER IN DE KERK.

V.

BEJAARDE PREDIKANTEN.

VI.

DE DOMINEE EN HET KERKORGEL.

VII.

EEN EIGEN BANK.

VIII.

DE FATSOENLIJKE BEDELAARS IN ONZE KERKEN.

IX.

IS DE DOMINEE EEN LEEGLOOPER?

X.

VACANTIE.

XI.

HOE EEN DOMINEE HERLEEFDE.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

In dit werkje, tintelend van humor en stralend van, soms achter bittere ironie, op vlijmend sarcasme af, verborgen, liefde voor Kerk en Gemeente, geeft de ook in Nederland geliefde Engelsche predikant ons een kijkje achter de schermen van het kerkelijk leven in zijn land.

Het kerkelijk leven in Engeland verschilt in vele opzichten van het onze; de positie van den predikant, zijne verhouding tot de Gemeente is in vele gevallen geheel anders dan ten onzent; maar.... waar het er voornamelijk op aankomt èn predikant èn lidmaten te beschouwen als menschen met al hun deugden en gebreken, met al hun grootheid der ziel, gepaard soms aan kleinheid van geest, met al hun uitwendigen tooi van vormen naast gemis vaak aan degelijken inhoud—daar vallen die onderscheidingen weg en komen punten van overeenkomst aan het licht, die den lezers dit boek tot een aangename, leerrijke, stichtende—zij het niet stichtelijke—lectuur zullen maken.

Moge het Gode behagen dit geschrift zijn weg te doen vinden tot vele harten en hoofden!

De Vertaler, W. VAN NES.

I.

Inhoudsopgave

HOE MEN HET MEESTE NUT TREKT VAN EEN PREEK.

Inhoudsopgave

Om het rechte nut van een preek te hebben, moeten twee personen samenwerken en waar een van beiden zijn werk niet goed doet, daar is de preek mislukt. De eene is de man, die haar voordraagt en de andere, de vrouw of man, die haar hoort; terwijl er bijna even veel kunst is in het goed luisteren naar een toespraak als in het samenstellen ervan.

Practische oefening is de eerste eisch voor den hoorder, want het is een feit, dat hij, die geregeld een kerk bezoekt, niet alleen meer hoort, maar ook beter volgt dan wie zoo maar eens om de twee maanden een kijkje komt nemen. Het spreekt van zelf, dat, indien de predikant een paar koperen longen heeft en de hoorder niet stokdoof is, deze, al komt hij maar zelden in de kerk, toch elk woord van den spreker kan opvangen; maar er is eenig onderscheid tusschen een stoomfluit, die binnen een gegeven kring doordringt tot elk oor zonder onderscheid en een muziekinstrument, welks geluid slechts gewaardeerd kan worden door geoefende hoorders.

De stem van een bevoegd spreker is niet zoo zeer enkel geluid, maar zij is veel meer muziek, met fijne afwisselingen van toon en teedere buigingen der stem; de wijze, waarop hij een woord uitspreekt, verklaart de beteekenis, die hij eraan hecht; de opslag zijner oogen beteekent een aandoening, die hij ondervindt en wil opwekken; de strengheid zijner woorden wordt verzacht door het gevoelvolle van den klank; zijn loflied klinkt liefelijker door de innigheid, waarmee het wordt voorgedragen. Het oor van een vreemdeling kan zulke onderscheidingen niet maken; men moet gewoon zijn aan den spreker om de volle waarde van elke handbeweging, elke verandering van toon te gevoelen.

Daarenboven, elk spreker, die waard is te worden aangehoord, schept zich een eigen atmosfeer en men kan zich daarin niet op zijn gemak gevoelen zonder geacclimatiseerd te zijn. De spreker heeft zijn eigen standpunt, en men moet zich daarop plaatsen om met hem te kunnen mee denken; elk woord wordt gefiltreerd in zijn geest en men moet dien geest kennen om de werking ervan te begrijpen. Toevallige hoorders zijn als in een doolhof zonder gids, maar de vrienden des sprekers gevoelen zich tehuis. „Hij zei dit of dat,” beweert de toevallige bezoeker. „O ja,” antwoordt de deskundige, „maar als hij dat zegt, beteekent het iets meer.” Misschien zou men kunnen zeggen, dat de hoofdvoorwaarde voor goed hooren is, dat men den spreker kent, zijn eigen manier van werken, zijn geliefkoosde studiën, zijn onbewuste vooroordeelen, zijn bijzondere boodschap, en die kennis kan alleen verkregen worden door voortgezet hooren.

Een dominee openbaart zich niet in zijn eigenlijke kracht in het particuliere leven: dat doet hij op den preekstoel. Wanneer men hem des Zaterdags op de straat ontmoet, dan spreekt hij over het weer of over een boek en verbergt zich, zooals trouwens elk degelijk man doet, achter een alledaagsch onderhoud; des Zondags, zonder het te weten, laat hij zijn masker vallen, totdat gij zijn karakter kunt doorgronden en in zijn ziel lezen. Er zijn natuurlijk sommige mannen, die in hun preeken even min zich bloot leggen als in hun gesprekken; maar in dat geval verliezen de hoorders er niets bij: dezulken hebben geen persoonlijkheid te openbaren, het zijn eenvoudig leeken in een geestelijk kleed gestoken. Men heeft een maand noodig om te gewennen aan een paar zware, nieuwe laarzen en ten minste zes maanden om gemakkelijk te zitten in een nieuwen studeerstoel; een jaar van herhaald bezoek wordt geëischt om op zijn gemak te komen met een nieuwen predikant; maar dan loont het genot ook de moeite.

Het tweede voorschrift is aandacht, wat hierop neerkomt, dat een hoorder zijn lichaam in de kerk in dienst moet stellen van zijn ziel. Het kan wel zijn, dat menschen luisteren, terwijl zij bewegingloos en met gesloten oogen neerzitten en velen verklaren die houding door te zeggen, dat zij zich op die wijze onttrekken aan een afleidende omgeving, maar in dat geval behooren zij dan toch van tijd tot tijd eens teeken van leven te geven, al was het maar om den spreker gerust te stellen en de omgeving te behoeden voor de zonde van een liefdeloos oordeel.

Er zijn gemeenten in Schotland, waar een derde gedeelte van de hoorders schijnt te slapen; maar de predikant krijgt later de zekerheid, dat diezelfde hoorders het beste verslag van de preek en de scherpste beoordeeling van zijn rechtzinnigheid kunnen geven. Maar men kan niet zeggen, dat zij nu juist een opwekkend schouwspel opleveren voor den spreker en deze komt vaak in de verzoeking eens iets onrechtzinnigs te zeggen om ze daardoor te dwingen eenig bewijs van belangstelling te geven.

Indien iemand daarentegen behept is met den boozen geest van rusteloosheid, die hem ertoe brengt geen oogenblik stil te zitten, hem nu eens doet opstaan en een poosje later weer onder de bank weg doet duiken, dan behoort zoo'n man zich thuis te oefenen om zijn kwelgeest de baas te worden of hij moet ergens gaan zitten, waar hij kan luisteren zonder gezien te worden.

Ook is het alles behalve dienstig om goed te hooren, wanneer een man zijn armen over elkaar slaat en achter in zijn bank leunt als iemand, die, wetende dat er een zware beproeving boven zijn hoofd hangt, een vast besluit neemt om ten einde toe stand te houden. Een spreker zal misschien heel vaak de aandacht vestigen op het edele leger der martelaars, maar hij wenscht toch liefst geen troep martelaars in zijn eigen kerk toe te spreken. Niets is zeker ontmoedigender voor een spreker—zelfs zóó dat de woorden besterven op zijn lippen en dat hij zijn gedachten niet geregeld kan uitdrukken—aan een gehoor, dat alle kenteekenen draagt van bestudeerde onachtzaamheid en niets is meer bezielend voor hem dan een onafgebroken rij van meelevende gezichten.

Dan volgt de eisch, dat de hoorder zijn gedachten bepaalt bij het behandelde onderwerp en hier heeft de geoefende hoorder een zeer groot voordeel. Als het moeielijk is voor sommige menschen om te luisteren, dan is het nog tienmaal moeielijker voor andere personen om te volgen, want het is zeer goed mogelijk, dat iemand luistert en toch niet volgt. Er zijn maar weinige lieden, die een half uur lang over dezelfde zaak kunnen denken of zelfs maar denken over wat ook; na een korte poos verslapt hun belangstelling en zij blijven achter; zij zijn geheel den draad van de redeneering kwijt geraakt en hebben bijna het onderwerp vergeten. De preek, die voor zulk een onbestendigen geest geschikt zou zijn, zou moeten bestaan uit twintig onderafdeelingen, elk een verhaaltje of een wakker schuddende gedachte bevattende, die op zich zelf een geheel vormden, zoodat de hoorder, waar hij ook inviel, dadelijk zich tehuis gevoelde. Menschen met gevoel behoorden echter te bedenken, dat een opeenvolging van vermakelijke tooverlantaarnplaatjes niet hetzelfde is als een ernstig kunstwerk en indien iemand het Evangelie van Christus waardiglijk wil verkondigen, dan moet hij ernstig overwegen en van zijn hoorders nadenken eischen. De keten kan van goud zijn, maar de schakels behooren stevig aan elkaar te zitten en een hoorder moet de sterkte ervan onderzoeken, terwijl zij hem door de handen gaan. Indien iemand zich geen moeite geeft bij de poging om een preek te verstaan, dan eindigt hij bijna zeker met de klacht, dat de spreker langdradig of dat de toespraak onsamenhangend was. Het is niet de moeite waard naar een preek te luisteren, waarin de predikant niet zijn volle kracht heeft gelegd; en het is niet mogelijk een preek goed te verstaan, tenzij de hoorder eveneens al zijn krachten inspant.

Mijn vierde eisch voor gezegend luisteren is oprechtheid en een predikant heeft het recht die hoedanigheid van zijn hoorder te vragen. Indien een lid van een rechtbank zijn zetel inneemt met een gevestigde meening betreffende de te behandelen zaak, dan is het te vergeefs, dat een pleitbezorger zich inspant en er is geen hoop op een rechtvaardig oordeel. Indien een persoon de kerk binnentreedt met vast gewortelde vooroordeelen in de zaak der waarheid, dan geeft het niets hoe knap of hoe welsprekend de spreker ook zij, hij kan geen vat krijgen op den geest van dien hoorder. De eerlijke hoorder is die, welke bereid is elke bewijsvoering in overweging te nemen en elk besluit te herzien, uitgenomen natuurlijk dat half dozijn uitgemaakte waarheden, die geen predikant met goed verstand ooit zal aanvallen en die elk godsdienstig mensch als vaststaand aanneemt. Er zijn echter vele kanten van waar men een waarheid beschouwen kan en die een hoorder misschien niet heeft vermoed en er zijn vele toepassingen eener waarheid, welke zich nooit aan hem voorgedaan hebben. Hij behoort bereid te zijn, den spreker te volgen als een gids en ten minste de zaak in zijn eigen belang te overwegen: hij behoort gewillig te zijn om te onderzoeken, hoever het woord van den spreker zijn eigen gedrag betreft.

Niets prikkelt een spreker meer en geeft hem grooter vertrouwen bij het verklaren der waarheid, dan de zekerheid dat elk eerlijk woord, door hem gesproken, zal overwogen worden door eerlijke toehoorders. Hij gevoelt, dat, in geval zij het met hem eens zijn, dit alleen zal wezen, omdat zij overtuigd zijn; indien zij niet met hem instemmen, dan zal dat zijn omdat naar hun meening hij niet erin geslaagd is een goed pleidooi te leveren.

En de laatste eisch is christelijke liefde, die dubbele zegen—èn voor den man, die spreekt èn voor de menschen, die hooren. Geen atmosfeer doet zoo veel kwaad aan den hoorder en geen is een zoo zware beproeving voor den spreker, als die van kleingeestige critiek en boosaardige vertolking. De menschen moeten met milden en edelmoedigen zin toeluisteren, bedenkende dat de predikant een man is even onvolmaakt als zij zelf zijn en zich herinnerende dat niemand mag beoordeeld worden dan met het oog op den inhoud van hetgeen hij onderwijst. Het is mogelijk, dat iemand op zekeren dag wat mat is—dat is vaak een gevolg van het weer; het is mogelijk, dat op een anderen dag hij niet vriendelijk gestemd is—dat is soms een zaak van spijsvertering; de hoorders zijn verplicht veel door de vingers te zien bij iemand, die te kampen heeft met den dubbelen hinderpaal van een weifelachtigen geest en een onvolmaakt lichaam. De hoorders moeten als regel aannemen, dat niemand altijd dezelfde kan zijn, tenzij hij zich voortbewege op de vlakke baan der vervelende gemeenplaatsen.

Men vertelt, dat eens eenige afgevaardigden van een vacante gemeente een doctor in de godgeleerdheid van middelbaren leeftijd gingen hooren, een man van kalmen aard en zonder eenige bezieling. Na hem een preek te hebben hooren voordragen, die hij den voorafgaanden Maandagvoormiddag had gemaakt en zoo als hij er elken volgenden Maandag voormiddag een had kunnen maken, vroegen zij aan een van zijn gemeenteleden of dit een goed staaltje was van de gewone prediking des doctors. „Gij kunt,” zei dit lid, „er staat op maken; hem eens te hooren is zoo goed als hem altijd te hooren; hij is altijd dezelfde; er is geen hooger of lager, geen beter of minder goed bij den doctor.” Zekerlijk daalde hij nooit beneden het effen peil van het gewone boerenverstand en even zeker steeg hij nooit tot de hoogten der bezieling. Menig predikant ondervindt, dat om de vier of vijf Zondagen, dit verschilt naar omstandigheden, zijn vlucht vermindert, dat hij heel gelijkvloersch blijft en zich niet kan verheffen. Doch dan krijgt de gemeente den volgenden Zondag een ruime schadeloosstelling en de predikant bereikt te beter den top des bergs, met zijn vergezicht en frissche koelte, naarmate hij dieper was afgedaald in het dal en enger was ingesloten geweest.

Een van de wreedste onrechtvaardigheden, waaraan de hoorders zich kunnen schuldig maken is den prediker te verdenken van persoonlijkheid en in zijn woorden een gedachte te leggen, die niet in hem opgekomen is. Wanneer het voorkomt, dat een prediker de een of andere bijzondere fout tot in kleinigheden beschrijft en met een zekere scherpte hekelt, dan behooren de aanwezigen zich ervan verzekerd te houden, dat hij bezig is zijn eigen fout te beschrijven, want inderdaad niemand is zoo goed op de hoogte van anderer fouten als van die, welke hij als zijn eigene erkent.

Het is het best voor den hoorder te gelooven, dat de prediker bij al wat hij zegt, slechts gedreven wordt door trouw aan de waarheid en door liefde voor zijn medemenschen en dat niemand dieper dan hij het betreurt, indien er eenige tekortkoming of fout in den geest van zijn onderricht is. Zijn begeerte is te overtuigen en te troosten; zijn eenige belooning de geestelijke steun, dien hij verleent aan de zielen zijner medemenschen. Indien door zijne woorden eenige broeder kracht verkrijgt om zijn arbeid in den loop der week getrouwer te verrichten of wordt geholpen in de beproevingen des levens, dan is zijn doel niet mislukt en heeft hij geen berouw van zijn opofferingen. Zijn streven is het verhevenste, dat de mensch kent en zijn arbeid is de zwaarste. Daarom worde de meest mogelijke sympathie hem betoond en te zijnen behoeve stijgen de meest aanhoudende en ernstige gebeden ten hemel!

Geen hoorder is eerlijk geweest tegenover den prediker, indien hij vergeet, wat aan de deur der kerk gezegd is of als hij een preek behandelt als een verhandeling, waarover geredetwist moet worden. De kerk is niet een plaats van uitspanning of een gezelschap tot oefening in het spreken: het is een school, waar de hoogste kennis wordt onderwezen—de kennis des levens. De onderwijzingen worden van den preekstoel af gegeven; het bewijs moet thuis geleverd worden. Meer dan eenige andere godsdienst is de Christelijke proefondervindelijk en practisch—niet een verzameling van regels, maar van grondbeginselen die moet worden uitgewerkt in het leven van elken mensch. Die prediker heeft zijn taak begrepen en volbracht, die een man tot handelen beweegt en die hoorder heeft het meeste voordeel van een preek gehad, die haar in praktijk heeft gebracht. De prediker behoeft geen lessen uit te deelen, door te zeggen, als tot kinderen: „ge moet dit of dat doen”, want dat zou onverdragelijk zijn en tevens doelloos. De beste predikers wekken gedachten op, door de menschen zich te doen schamen over den lagen standaard van hun leven, terwijl zij luisteren naar de blootlegging der zonde en door hen te brengen tot adeldom der ziel door de tentoonstelling van de schoonheid der deugd. De eerlijke toehoorder begint niet goed te handelen omdat het hem gezegd is, maar omdat hij gevoelt het te moeten doen. Hij heeft zijn hart geopend voor de boodschap der waarheid, zooals de zachte grond in de lente zich opent voor het zaad en in die herbergzame woning ontkiemt het zaad en wast het op.

Boven alles vraagt de Christenprediker twee dingen en deze kunnen alleen verkregen worden bij gehoorzaamheid van den hoorder. Hij noodigt zijn gehoor uit om discipelen en dienaren te worden van Jezus; hij verheerlijkt de genade en de macht des Meesters; hij verzekert zijn medemenschen, dat in Jezus te gelooven en Hem te volgen, leven is. Indien de hoorder redeneert en redetwist over Jezus, kan hij nooit tot de feiten komen en heeft hij niet eerlijk gehandeld met den prediker. Laat hem de proef nemen en het met Jezus wagen, zooals de eerste Christenen deden. Als hij dat doet, eerst dan zal hij in staat zijn de prediking te beoordeelen; doet hij het niet, dan behoort hij te zwijgen. Nooit is er beuzelachtiger getwist geweest dan met hoorders, die niet gelooven willen: zij zijn als menschen, die om het kerkgebouw heenloopen en kibbelen over de geschilderde glazen, welke alleen van binnen af kunnen gezien worden. Ook doet de Christenprediker een beroep op de offervaardigheid en het is zijn plicht de heerlijkheid te roemen van een onzelfzuchtig leven. Hij vraagt van de menschen, dat zij iets zullen doen dat moeielijk is en weinig aantrekkelijks heeft en belooft hun een loon, dat geestelijk en onzichtbaar is. De hoorder is verplicht dezen eisch voor zich zelf waar te maken en te onderzoeken of het waar is, dat men er gelukkiger en sterker door wordt, wanneer men niet zich zelf, maar anderen dient.

Het hoofddoel van elke prediking is ten slotte bezieling, en de man, die in vuur gezet wordt, is de rechtvaardiging van den preekstoel. De grootste ramp bij de prediking is tegenzin en onverschilligheid. Nooit was een preek zoo onbeteekenend of zij bevatte meer dan de hoorders in toepassing konden brengen. Geen preek is mislukt, die, al is het maar één mensch, heeft verrijkt met één enkele gedachte of opgewekt tot één brave daad.

II.

Inhoudsopgave

HOE EEN GEMEENTE HAAR DOMINEE TOT DE GROOTST MOGELIJKE VOLKOMENHEID BRENGT.

Inhoudsopgave

Tusschen een predikant en zijn Gemeente is een voortdurende wisselwerking, zoodat de dominee de Gemeente maakt en de Gemeente eveneens den dominee vormt. Wanneer men spreekt van hetgeen de predikant doet voor zijn gemeenteleden, dan denkt men daarbij niet aan bankhuur en opbrengst van collecte en statistiek en scharen, ook niet aan scholen en wijklokalen en zondagsscholen en bijbellezingen. De groote taak van den dominee is de vorming van karakters. De voornaamste vraag, die men te doen heeft in betrekking tot het werk van den predikant, is daarom: welke soort van menschen heeft hij gevormd?

En een van de meest belangrijke vragen ten minste, waardoor men zich een oordeel kan vormen over de lidmaten eener kerkelijke Gemeente, is: wat hebben zij gemaakt van hun dominee? Hiermede bedoelt men niet, hoeveel traktement zij hem gegeven hebben of hoe vriendelijk zij voor hem geweest zijn, maar in hoeverre hij een man is geworden en of hij in den kring zijner Gemeente tot de voor hem bereikbare hoogte is gestegen? Sommige Gemeenten hebben hun dominee ten onder gebracht door hem zoolang te plagen, tot hij den moed en alle zelfbeheersching verloor en tot hij knorrig en driftig werd. Weer andere Gemeenten hebben hetzelfde gedaan door den dominee zoo naar de oogen te zien en te vertroetelen, dat hij ten laatste geen tegenspraak meer kon dulden en begon te gelijken op een dwingerig kind. Die Gemeente heeft haar taak het best vervuld, welke een atmosfeer heeft weten te vormen zoo bezielend en tevens zoo inspannend, dat alle goede eigenschappen in haar dominee aangekweekt en alle verkeerde neigingen onderdrukt werden.

Een jonge dominee is een last, gelegd op eene Gemeente en haar eerste plicht is geduld, vooral ten opzichte zijner prediking. Zeker jong, en wat niet hetzelfde beteekent, onrijp dominee, begon zijn loopbaan als hulpprediker in een stadskerk, bekend wegens haar grootschen arbeid en haar ernst. Zijn werk was het bezoeken van zieken en het zorg dragen voor de zoogenaamde bijzaken; wijselijk werd hem zelden opgedragen te preeken. Als hij het deed, dan was zijn toespraak inderdaad een zeer jongensachtig opstel—ondiep, onpraktisch, vormelijk—en hij was verstandig genoeg zich te schamen.

Na eenigen tijd werd hij ten gevolge van toevallige en persoonlijke omstandigheden beroepen in een Kerk in een afgelegen dorp. Vóór hij de groote stadskerk verliet, kwam een der ouderlingen hem bezoeken om afscheid te nemen. Deze zei, dat hij het zijn plicht rekende te doen uitkomen in welk opzicht de hulpprediker was geslaagd en waarin hij gefaald had.

„Ge zijt zeer oplettend geweest voor de zieken en ... voor ... de kinderen, en ik mag, zonder vleierij verklaren, dat men veel van u hield, maar gij weet wel, dat God u niet het talent heeft toebedeeld van spreken in het openbaar. Ik vrees, dat ge nooit in staat zult zijn te preeken. Dat belet natuurlijk niet, dat ge toch wel als herder nuttig en tot zegen kunt wezen.”

Het was geen opwekkend vooruitzicht om altijd oude, ziekelijke dames te bezoeken en dienst te doen bij zondagsschoolfeestjes, maar de jonge man dankte den vriendelijken ouderling met een benepen hart en ging naar zijn nieuw arbeidsveld.

Zijn eerste ervaring in de nieuwe parochie scheen de droeve voorzegging te bevestigen. Den eenen dag raakte hij in de war in het midden van zijn preek; een anderen keer, terwijl hij bezig was een Zendbrief van Paulus te verklaren, verdwaalde hij zoo te midden van zijn gedachten, dat hij van voren af aan moest beginnen en de helft van zijn tekstverklaring moest herhalen. Bij die gelegenheid was de jonge predikant zoo ontmoedigd, dat hij op den preekstoel zelf een overijld besluit opvatte om ziin ontslag te nemen en hij ging zeer ternedergedrukt de kerkekamer binnen. Daar stond een oude Hooglander, een ouderling, op hem te wachten; deze nam hem bij de hand en dankte hem voor „een welsprekende toespraak.”

„Het is wonderbaar,” zei hij met zijn zoet, minzaam accent, „dat gij zoo goed preekt, en dat nog zoo jong, en ik zou u willen zeggen, dat gij u nooit ongerust moet maken, als ge soms eens een punt van uw toespraak vergeet. Dan laat ge eenvoudig een psalm zingen en neemt wat rust; wellicht komt het dan weer in uw hoofd terug. Wij hebben allemaal overvloed van tijd en we houden allen heel veel van u. De menschen praten erover, wat een goed spreker gij binnen kort zult zijn en zij zijn nu al trotsch op u.”

Den volgenden zondag beklom de dominee den preekstoel vol vertrouwen en werd gedragen door de lichtverheffende atmosfeer der vriendelijkheid en daarom haperde hij niet en vergat hij niets en ook is het sedert dien dag niet noodig geweest, dat hij weer van voren af aan begon.

Het is inderdaad geen wonder, dat zijn hart nog altijd vanuit de stad, waar hij thans is, met dankbaarheid en liefde terugdenkt aan die Hooglandsche parochie; was zijn eerste Gemeente niet zoo vol christelijke liefde voor hem geweest, dan zou hij nu niet in de bediening des Woords zijn.

De leden eener Gemeente zijn verplicht hun dominee bij te staan in de wereld buiten de Kerk. Hij behoort tot hen en zij moeten naijverig zijn op zijn goeden naam. Indien hij iets zegt of doet, wat niet recht is dan mogen zij hem dat zeggen onder vier oogen in alle teederheid en liefde; maar als vreemdelingen hem bevitten, laat dan zijn eigen menschen hem verdedigen en prijzen. Indien iemands eigen huisgezin hem trouw blijft, dan wordt zoo iemand niet ter neder geslagen door de vijandschap van de menschen op de straat. Wanneer dat huisgezin zich tegen hem keert, dan ontzinkt hem het hart. Niets zal een degelijk man meer ertoe brengen streng voor zichzelf te zijn en zijn fouten te erkennen, dan de ontdekking, dat wie hem onder vier oogen berispt, hem in het openbaar verdedigt.

Het kwam eens voor, dat een voornaam Kerklid het als zijn plicht beschouwde zijn dominee, aan wien hij overigens zeer gehecht was, te berispen omdat diens prediking scherp en ongeestelijk was geworden.

Zij waren persoonlijk bevriend en het gesprek werd gevoerd in een volmaakt passenden vorm; maar de dominee voelde zich toch daarna eenigszins gegriefd, wat vrij dwaas was, en hij pijnigde zich met de gedachte, dat zijn vriend en zijne Gemeente iets tegen hem kregen. Eenige dagen later kreeg hij het bezoek van een collega en terwijl zij zaten te praten over verschillende zaken, wenschte zijn bezoeker hem geluk ermee, dat zijn menschen zoo aan hem gehecht waren. „Bijvoorbeeld: gisteren avond aan een diner was de oude doctor Sardine bezig te vitten op uw prediking,—hij noemde u een liberaal en zoo voort—toen de heer Cochrane uit den hoek kwam en den ouden heer vertelde, dat hij niet wist, waarover hij sprak. Ik bezoek zijn kerk, zei uw man, en ik weet, dat ik mijn dominee nooit zal kunnen vergelden, wat hij voor mij en mijn gezin gedaan heeft! Dat was goed Hollandsch en maakte een geweldigen indruk en daar was ten minste één dominee, die u zulk een vriend benijdde.”

Terwijl zijn vriend hem flink, onder vier oogen als man tegen man, op zijn fouten had gewezen, en terwijl hij zich persoonlijk had beleedigd gevoeld, als een dwaas kind, had diezelfde vriend met edelmoedige geestdrift gewaakt voor zijn goeden naam en de gedachte daaraan wekte op tot berouw. Het oordeel van zijn vriend kreeg een nieuwe beteekenis, geheiligd als het werd door zulke bewijzen van oprechtheid en grootmoedigheid. Zoo kwam de dominee ertoe ernstig na te denken over zijn toestand en hij gevoelde in uitersten vervallen te zijn. Niets oefent een weldadiger invloed uit op een rijk begaafd man dan het gevoel dat een aantal menschen hem vertrouwen en over hem waken. Dit vertrouwen vervult hem met nederigheid, onderdrukt zijn hoogmoed, leert hem voorzichtigheid en doet hem zijn groote verantwoordelijkheid gevoelen, zich in den strijd des levens flink te houden.

Een verstandige Gemeente zal ook beantwoorden aan het hoogste, wat de dominee geeft en zal onderscheid maken tusschen een tweede- en een eerste-rangsproduct van zijn brein. Daar is zoo iets als een „goedkoope” preek, die misschien heel populair en duidelijk is, met een heel oppervlakkig tintje van knapheid. Vlugge mannen worden vaak verleid zulke preeken te geven, omdat zij heel gemakkelijk voorbereid worden en geen inspanning van de ziel eischen. En een Gemeente houdt wel eens van zulke preeken, omdat zij maar weinig oplettendheid vragen.

Er is ook zoo iets als een „dure” preek, die heel wat strijd voor hoofd en hart gekost heeft—een preek vol gedachten en hartstocht. Zulke preeken worden niet gemakkelijk gemaakt en evenmin gemakkelijk verstaan. Wanneer de predikant zijn ziel in zijn werk gelegd heeft, dan moeten de hoorders ook hun ziel wijden aan het hunne. Natuurlijk zal een sterksprekende persoonlijkheid niet ophouden zijn beste, zijn voortreffelijkste werk voort te brengen, is er al niemand, die het goedkeurt en hij zal in geen geval beneden zijn hoogste standpunt dalen; maar de begeerte naar goedkoope en populaire prediking is een groote verleiding voor een gewoon dominee, zoodat hij soms in de verzoeking komt de dwazen in zijn Gemeente te gelieven en zijn eigen last te verlichten door iets minder goeds te geven, dan hij zou kunnen doen.

En het is het meest bedroevende en het pijnlijkste verschijnsel in het kerkelijk leven, wanneer men een man ziet slagen, voor den uiterlijken schijn ten minste, die zijn talenten heeft begraven en wanneer een Gemeente gelukkig en schijnbaar tevreden is, na haar dominee te hebben verwaarloosd.

Indien een predikant vervuld is van een hoog ideaal en een ijzeren wil heeft, dan zal hij zich zelf tot volmaking brengen in spijt van de meest ontmoedigende omstandigheden, en ofschoon de lieden vragen om goedkoope knapheid, zal hij volhouden hen te voeden met de krachtigste spijzen. Doch vele verdienstelijke mannen zijn noch bijzonder sterk noch geestelijk en indien hun menschen geen lust hebben in stevig voedsel, dan voldoen zij hen met het armzaligste van alle kunstgrepen—godsdienstige liflafjes. Soms is het een evangelisch praatje, soms maatschappelijke bombast of diepzinnige wartaal, altijd is het een bijproduct van den geest des mans en minder dan waardeloos voor de lidmaten zijner Kerk.

Het dient den dominee duidelijk gemaakt te worden, dat zijn Gemeente verwacht te deelen in de rijpste vruchten zijner kennis en zijn meest zorgvuldige overdenkingen op prijs zal stellen. Wanneer hij bij een of andere gelegenheid zijn toppunt bereikt en een „groote” preek preekt, dan komt het er niet op aan of iedere persoon elk woord heeft begrepen of dat wellicht eenigen maar ongeveer de helft gevat hebben. Men behoort hem te zeggen, dat al de leden der Kerk trotsch op hem zijn en God voor hem danken en dat, indien hij misschien door sommigen niet bijgehouden is, dit niet een gevolg was van duisterheid, maar van verheffing, en dat men blij is een dominee te hebben, die op zulk een hoog peil staat.

Nicht verfügbar
Dieses Buch wird in Ihrem Land nicht verkauft. Wenn Sie VPN aktiviert haben, deaktivieren Sie es bitte
Altersbeschränkung:
0+
Veröffentlichungsdatum auf Litres:
16 Januar 2025
Umfang:
120 S. 1 Illustration
ISBN:
4064066313081
Verleger:
Übersetzer:
Rechteinhaber:
Bookwire
Download-Format: